Bermen en graslanden voor bijen op het platteland

Wat zijn de mogelijkheden voor bloemrijke bermen en graslanden voor bijen op het platteland- Op het platteland kunnen bloemrijke bermen een substantiële bijdrage leveren aan het bevorderen van bijen. Landschappelijke beplantingen kunnen nestgelegenheid leveren voor wilde bijen. Vooral op niet te zware minerale bodems. Het beheer moet constant zijn: maaien en afvoeren van maaisel. Vooral als meststoffen niet direct in bermen komen, kunnen er bloemrijke vegetaties ontstaan. Daarnaast zijn ecologisch beheerde bermen uitvalbasis voor predatoren die een rol kunnen spelen bij de biologische bestrijding van ongewervelde plaagdieren. (zie bij biologische bestrijding) ------------------------------------------

Als grasland niet te zwaar wordt bemest en ook geen herbiciden worden toegepast kan pinksterbloem aspect bepalend worden. (Achterhoek 2001)
 
Witte klaver is een zeer geliefde drachtplant vooral als die zo massaal voorkomt. Zulke vegetaties zijn meestal van tijdelijke aard. Minder massaal groeien ze in in verschillende graslandvegetaties. Waar de gelegenheid zich voordoet zou witte klaver kunnen worden ingezaaid. Daarnaast kan het in allerlei nieuwe landschappelijke beplantingen als bodembedekker worden ingezaaid. (Rügen 2000)
       
Op de meeste plekken waar grasklokje in het cultuurlandschap voorkomt is er sprake van een matig voedselrijke bodem. Op deze plek, ingeklemd tussen twee aardappelvelden, kwamen dikpootbijen talrijk voor. (omgeving Wedde 1997)
     
Een kansrijke plek voor wilde bijen -- Op niet te zware of te voedselrijke grond kan boerenwormkruid zich goed ontwikkelen op de voorgrond groeit ook Sint Janskruid. In zulke grazige vegetaties komen ook vlinders voor. (omg. Stegeren 1995).
Door kortstondige bloei van weidehavikskruid moet deze zeldzame plant de kans krijgen zaad te vormen. Dat betekent dat er het beste na de bloei in juli gemaaid kan worden. Of een zeer vroege maaibeurt zin heeft, hangt van het productieniveau van de totale vegetatie af. Zulke bijzondere planten zouden maar één maal per jaar, bij de tweede maaibeurt, gemaaid mogen worden. (Groningen, Noordpolder 1997)
     
Oorspronkelijk was deze grond voedselarm en zuur, maar door omgevingsfactoren is de bodem matig voedselrijk geworden en vormt zo een favoriete plek voor stijf havikskruid. (Oosterwolde 1997)
     
Onder invloed van de landbouw is deze berm zeer voedselrijk geworden. Daarnaast heeft hier vroeger een singel gestaan waardoor het nog gunstiger werd voor zevenblad. (Eenrum (Gr) 1997)
     
Gewone paardenbloem in een beschaduwd grasland als onderbegroeiing. (Knardijk ca. 1995).
     
Vegetaties met peen op voedselrijke bodems moeten of heel vroeg worden gemaaid of de eerste maaibeurt moet worden uitgesteld tot na de zaadrijping (juli - begin augustus). Een tweede maaibeurt (in september - begin oktober) blijft gewenst. De bodem houdt hier het midden tussen droog en vochtig (G6-G7). (Roodeschool 1997)
     
Op veel plaatsen start de bloei van veldlathyrus tegelijk met de eerste maaibeurten. Hier- door komt de plant niet of minder tot bloei en zeer zeker niet tot een goede zaadvorming. Bij een vroege eerste maaibeurt kan veldlathyrus zich nog op tijd herstellen. (Groningen, Noordpolder 1997)
     
Hooilanden waar knolboterbloem dominant voor komt zijn zeldzaam. (Wijk bij Duurstede 1992)