Toegang (Access)
Toegang wordt hier gedefinieerd als toegang tot en het recht op gebruik van natuur inclusief de groene openbare ruimte. (Access: The means or right of visual or physical using - in the context of landscape design - open space. Access is seen as the most fundamental requirement of open space). Als natuur bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van mensen heeft iedereen recht op natuur (Raad Landelijk Gebied, 2005). Het gaat dan om natuurbeleving en de prikkel om in beweging te komen. Dat recht kan in de praktijk alleen worden gerealiseerd als er voldoende natuur aanwezig en bereikbaar is. Verder moeten de terreinen iets te bieden hebben en moeten ze zich in een toestand bevinden, die het aantrekkelijk maakt om deze te bezoeken. De Raad voor het Landelijk Gebied (2005) gaat in op de hoeveelheid groen en de bereikbaarheid daarvan en pleit voor meer groen en een betere kwaliteit en bereikbaarheid daarvan.
 
Toegang (access) tot natuur
Voor de weinig mobiele groepen zal natuur en groen voor de deur moeten liggen of op een loopafstand van minder dan 50 tot 100 meter. Voor voorbeelden van mobiliteit wordt ook verwezen naar onder meer de foto's van ouderen op de pagina Bewegen). De oppervlakte van het groen wordt vooral ook bepaald door de diversiteit in functies en interesse van de potentiële gebruikers. De vuistregel is hoe groter het park is, des te meer mogelijkheden het biedt en des te meer mensen er gebruik van zullen maken (Grahn, 2005)
 
Ouderen in het park -- In deze parkstrook is veel te beleven. Voor deze ouderen is dat een reden om vaak naar buiten te gaan. Ze lopen van bankje naar bankje en leggen op deze wijze een paar honderd meter af en praten ook met voorbijgangers. De flat voor ouderen waar deze mensen wonen, is als het ware door dit park omgeven. Natuurbeleving, bewegen en sociale contacten gaan hier hand in hand. Barrières zijn er niet. (Leeuwarden, heemtuin Wirdummervaart 1993)
 
Fysieke barrières -- Voor veel mensen zijn parken niet of met veel moeite toegankelijk. Iemand die goed mobiel is loopt vanaf deze plek in vijf minuten naar het Beatrixpark (rechts op de foto), maar voor veel mensen is dat op eigen kracht onmogelijk. (Schiedam 2002)
 
Elderly people -- In Engeland wordt er meer rekening gehouden met mensen met mobiliteitsproblemen. Maar daar zijn de problemen niet anders dan in de rest van het urbane gebied van Europa.
 
Ouderen in tuinen. Deze oudere vrouw van over de tachtig loopt direct vanuit haar achterdeur ieder dag een rondje door de gemeenschappelijke tuin. In totaal legt ze per keer ca 100 meter af, er zijn bankjes om uit te rusten. (Utrecht, Bikkershof 1996)
 
Vlonderpad -- Voor rolstoelgangers kunnen ontoegankelijke terreinen toegankelijk worden gemaakt door middel van vlonderpaden. De leuning zorgt voor de veiligheid. Dit vlonderpad is geschonken door de Rotaryclub. Het werd echter niet onderhouden en is rond 2005 weer afgebroken. Dit demonstreert overduidelijk hoe we met bepaalde groepen in de samenleving omgaan. (Veenendaal Blauwe Hel, 1995).
 
In parken moet rekening worden gehouden met mensen die zeer slecht ter been zijn. Het gaat dan niet alleen om de kwaliteit van de verharding,. maar ook om de zichtbaarheid van de plantenborders.
 
Rustplek -- Deze ouderen hebben vanaf hun huis ongeveer 100 meter afgelegd. Zonder bankjes zou dit onmogelijk zijn geweest (Zeist 2005)
 
Barrièreloos -- Deze oudere vrouw kan vanuit haar huis (zichtbaar op de foto) zo het park in wandelen. De natuurlijke omgeving vormt een stimulans om dat dagelijks te doen. (Utrecht 1993)
 
Een park als achtertuin -- Als groen er werkelijk toe doet moeten we er voor zorgen dat het bereikbaar is. Niet zoveel stoplichten verder, maar binnen werkelijke loopafstand voor iedereen. Niet alleen voor hen die het zich kunnen permitteren om in peperdure appartementen te wonen, maar ook voor mensen met een smalle beurs. (Amstelveen 1993).
 
Afstotend -- Zulke verwaarloosde plekken moedigen niet aan voor een uitstapje. (Nijmegen 1995)
 
Graffiti -- Graffiti stoot veel mensen af. (Gorredijk 1993)
 
Afval -- Op zo'n plek ga je niet snel zitten. Als je dan maar een klein stukje kunt lopen en dit komt te vaak voor, blijf je liever thuis.
 
Dit park in Deventer wordt ecologisch beheerd. Om het voor mensen die niet al te slecht ter been zijn goed toegankelijk te houden, is er een pad in gemaaid.
 
Een ruige bloemrijke wegberm in Soest (1994) met een uitgemaaid pad voor het publiek.
 
 
Toegankelijkheid
Toegang wordt bepaald door een complex van factoren. Aan de hand van eigen praktijkervaringen en literatuur wordt op een aantal aspecten in gegaan. Voor details wordt verwezen naar de gebruikte literatuur.
Om gebruik te kunnen maken van een park, bos of rozenperk moet men visueel toegang hebben tot deze natuur (zie literatuur Window view) of men moet zich op de een of andere wijze kunnen verplaatsen. Dat betekent dat men moeite moet doen om ergens te komen. Hoe groter de aantrekkingskracht van een gebied en hoe vitaler een persoon is, des te groter is de kans dat een bepaalde plek wordt bereikt. In extreme gevallen is het ene uiterste bijvoorbeeld het bereiken van een bergtop, terwijl het andere uiterste is dat men op eigen kracht niet van een stoel of uit een bed kan komen. Tussen beide extremen ligt een breed gebied. Het accent wordt hier echter gelegd op toegankelijkheid van natuur voor minder mobiele en meer kwetsbare groepen, zoals ouderen, kinderen en mensen met fysieke en mentale beperkingen.
Dit ecologisch beheerde park wordt door gemaaide graspaden toegankelijk gehouden.
 
Fysiek
Bereikbaarheid wordt vaak uitgedrukt in afstand. Hoe dichter een park bij een woonwijk ligt hoe meer mensen daar gebruik van zullen maken. De afstanden die hierbij worden genoemd variëren van 300 tot 500 meter. (Bezemer & Bervaes, 2004; Grahn, 2005; Stigsdotter & Grahn, 2004; Raad Landelijk Gebied, 2005; URGE Team, 2004). Voor veel ouderen en mensen met fysieke beperkingen is dat een te grote afstand. Voor veel ouderen en kinderen is de absolute afstand wel goed overbrugbaar, maar is het vaak het gemotoriseerde verkeer dat de overbrugging moeilijk of onmogelijk maakt. Voor deze groep moet kleinschalig groen op aangepaste loopafstand worden aangelegd. (zie Kleinschalig groen via startpagina).
Dit miniatuur park (Pocket park) is zeer toegankelijk voor oudere buurtbewoners. Voor deze groep zijn bankjes in en bij bijenlinten onmisbaar. De heenweg lukt nog wel, maar zonder te rusten wordt de terugweg een zware klus.
 
Psychologisch
Op psychologisch gebied kunnen veel factoren een rol spelen in de aantrekkingskracht van natuur. De plek moet iets te bieden hebben en moet dus voldoen aan een bepaalde behoefte (zie Voorkeur natuur). Daarnaast kan ook stress van invloed zijn (Grahn, 2005: Tabel Relatie stress en afstand). Het ontbreken van bepaalde faciliteiten, zoals horeca of een toilet, kan een belemmering vormen voor een bezoek. Bepaalde vormgeving en ontwerp kunnen een plek sensorisch aantrekkelijk en gebruiksvriendelijk maken. Ook de beheervorm van de groene ruimte is van belang. Slecht beheer of verwaarlozing verminderen de kwaliteit en vrijwel zeker het aantal bezoekers. De toegangsroute kan door ontwerp, gebruik en beheer een psychologische barrière vormen. Een lange, saaie straat of weg zonder groen door een bedrijventerrein uit de jaren zestig vormt geen aanmoediging om naar buiten te gaan.
 
Aandachtspunten voor toegankelijkheid en gebruik-
Deze tabel geeft op hoofdlijnen aandachtspunten voor ontwerp en beheer en enkele suggesties om de aantrekkingskracht van parken en recreatieterreinen te vergroten. Gevarieerde parken trekken meer mensen aan (Grahn, 2005). Maar dat alleen is niet genoeg. Voor een uitvoerig overzicht en vele details per terreintype en doelgroep wordt verwezen naar de literatuur. Engels teksten zijn overgenomen van de website van www.le-notre.org
 
Fysiek
Afstand -- In de literatuur wordt 300 tot 500 meter vaak opgegeven vanaf woning, woonwijk of werkplek (onder meer URGE Team, 2004). De afstand wordt onder meer bepaald door stressfactoren. Voor kinderen, ouderen en mensen met fysieke en mentale beperkingen is deze afstand op eigen kracht en verantwoordelijkheid vaak onoverbrugbaar. Voldoende rustplaatsen (houten (!) bankjes op 30-50m afstand) maken terreinen beter toegankelijk voor ouderen. Uiteraard is het niet mogelijk om overal grotere parken aan te leggen. Maar mini-parken brengen groen binnen bereik van mensen met mobiliteitsproblemen en kwetsbare groepen (kinderen, vrouwen en ouderen).
Afstand naar hoogtepunten -- Hoogtepunten of bijzondere accenten in een park of andere groene omgeving moeten ook voor minder mobiele mensen bereikbaar zijn. Dus zo dicht mogelijk vanaf de ingang of de parkeerplaats. Dit moet zoveel mogelijk tegemoet komen aan de wens dat mensen zelfstandig plekken kunnen bezoeken.
Ongelijke hoogte -- Terrein moeten goed toegankelijk zijn voor mensen met fysieke beperkingen. Grote hoogteverschillen moeten door geleidelijk op- en aflopende paden overbrugbaar zijn. De stijging mag niet groter zijn dan 1:20 tot 1:25.
Verhardingen -- Vooral voor ouderen en mensen met een beperkt loopvermogen moeten verhardingen goed begaanbaar zijn. In ieder geval voor routes die naar bepaalde belevingsaccenten leiden. Het vooruitzicht dat een pad niet goed begaanbaar is kan een psychologische barrière opwerpen. Hoogteverschillen vanaf 0,5-1,0 cm kunnen vooral voor ouderen een belemmering vormen om een park te bezoeken. Sommige vormen van verhardingen kunnen vooral na nat weer en bij tegenlicht een verblindende schittering veroorzaken. Vooral voor ouderen kan dat zeer hinderlijk zijn
Faciliteiten -- Veel ouderen zijn in staat om grotere afstanden te overbruggen, maar wel onder voorwaarde dat er voldoende rustplekken (bankjes) aanwezig zijn. Daarnaast zijn ook goede toiletvoorzieningen van groot belang. Vooral op dit punt heeft Engeland (UK) een zeer goede traditie waar Nederland een voorbeeld aan zou kunnen nemen.
Microklimaat -- Bepaalde klimatologische omstandigheden (temperatuur en wind) moet men warmte, kou en te veel wind kunnen ontwijken. Zitgelegenheden (rustplaatsen) en routes moeten daarop worden ontworpen. In alle seizoenen moeten er zonnige, luwe plekken zijn en in de zomer zitplekken in de schaduw. Hierbij moet ook worden gelet op het uitzicht (panorama's doorkijkjes etc.)
Psychologisch
Ingang -- De plekken van ingangen moet logisch zijn d.w.z. aansluiten op routes die mensen gaan en zo dicht mogelijk aansluitend op de plekken waar de mensen vandaan komen; de plek van de ingangen moet duidelijk zijn en de ingang zelf uitnodigend (goed en een aantrekkelijk visueel access)
Zwerfvuil en afval -- Zwerfvuil en afval moeten met grote regelmaat ( dagelijks) worden verwijderd.
Uitwerpselen van dieren -- De meeste mensen vinden hondenpoep zeer storend; op plekken waar kinderen spelen moet dat met alle middelen worden tegengegaan.
Blocked view -- Mensen die door hun fysieke conditie gedwongen worden om te rusten, moeten zoveel mogelijk uitzicht op de open ruimte hebben. Een uitzicht dat wordt belemmerd door een muur van planten, vaak struiken, wordt meestal minder gewaardeerd dan een vrij uitzicht op het landschap (tuin, park, water, weiland etc.) . Een te besloten ruimte kan ook het gevoel van veiligheid negatief beïnvloeden.
Overzicht en doorzicht -- Vooral paden waar men zich min of meer gedwongen over moet verplaatsen, mogen geen beklemmend gevoel van onveiligheid oproepen. Een zekere openheid en overzichtelijkheid kunnen dat voorkomen. Daarbij verhoogt het ook de belevingswaarde aanzienlijk. Zie ook bij Bosstructuur.
Sociale en psychologische veiligheid -- De aan- en/of afwezigheid van bepaalde aspecten kunnen een belemmering vormen om groene terreinen zoals parken te bezoeken. Verschillende aspecten zijn al genoemd bij "faciliteiten", "overzicht en doorzicht" en "blocked view". Ook het ontbreken van goede 0riëntatiepunten kunnen er toe bijdragen dat men geen controle heeft op de omgeving. Herkenningspunten en informatiepanelen over routes en voorzieningen in een park werken drempel verlagend. Te weinig privacy of te weinig mogelijkheden voor het leggen van sociale contacten kunnen een gang naar een park bemoeilijken. Zitgelegenheden voor zowel individueel als voor collectief gebruik zijn daarom van groot belang. Mensen die zich bij een groep willen aansluiten moeten dat op een psychologisch veilige wijze kunnen doen. Zitgelegenheden en routes moeten daarom zo worden ontworpen dat buitenstaanders ergens kunnen gaan zitten zonder dat ze het gevoel krijgen inbreuk te doen op een groep of het gevoel krijgt weggekenen te worden. Een bezoeker moet ook een veilige mogelijkheid hebben om zich op een groep te oriënteren. Potentiële ontmoetingsplekken moeten daarom een niet te besloten karakter/ligging hebben. Je moet er aan voorbij kunnen lopen zonder dat iemand anders je intenties door heeft. Dat betekent geen doodlopende paden naar afgesloten ontmoetingsplaatsen.
Fysieke veiligheid
Fysieke veiligheid betreft het meest kinderen. Gemotoriseerd verkeer maakt het voor kleinere kinderen heel vaak vrijwel onmogelijk om een groene speelomgeving op eigen gelegenheid te bereiken. En de laatste speelplekken die nog wel bereikbaar zijn worden vaak volgebouwd. Dit vraagt om de grootst mogelijke aandacht van iedereen. De vraag is steeds op welke plekken het verkeer kan worden geweerd of veilig worden gemaakt en hoe speelgelegenheid die past bij de behoefte en de ontwikkeling van kleinere kinderen op veilige loopafstand kan worden gerealiseerd. Soms moeten daarvoor huizen of andere gebouwen worden afgebroken, straten voor verkeer worden afsloten of wegen ondergronds worden aangelegd.
Ontwerp
Leesbaarheid -- De leesbaarheid van het landschap is de mate waarin het landschap samenhang toont, die het de waarnemer mogelijk maakt zich te oriënteren in tijd en ruimte. De (a)biotische eigenschappen worden zichtbaar door de verticale samenhang, de functionele en ecologische relaties door de horizontale samenhang, de jaarcyclus door de seizoensamenhang en het heden, verleden en de toekomst door de historische samenhang. (Overgenomen van: Hendriks, K. & D.J. Stobbelaar, 2003. Landbouw in een leesbaar landschap: hoe gangbare en biologische landbouwbedrijven bijdragen aan landschapskwaliteit . Alterra Scientific Contributions no. 10. Blauwdruk, Wageningen.
Uitgangspunten -- De vuistregel is dat mensen de structuur van het landschap min of meer moeten kunnen begrijpen. Ze moeten worden uitgenodigd om zich in een landschap te verplaatsen, gemakkelijk de weg kunnen vinden en in ieder geval niet het gevoel krijgen dat ze kunnen verdwalen. Samenhang, complexiteit, leesbaarheid en mysterieusiteit (mistery) maken voor veel mensen een bos, natuurgebied of een park aantrekkelijk voor gebruik.
Oriëntatie -- De patronen en routes in het landschap moeten helder zijn voor ouderen en mensen met permanente of tijdelijke (bijv. zware stress) mentale beperkingen. Zie in dit verband ook Kaplan et al. (1998); opvallende beplantingen, ornamenten, waterpartijen etc. kunnen herkenningpunten vormen; zichtassen en vistas vormen goede oriëntatie punten. In grotere parken, natuurterreinen en bossen wordt meestal gebruik gemaakt van richtingaanwijzers en gemarkeerde routes.
Sferen en thema's -- Door te werken met licht en schaduw, water, uitzichten, stenen en ornamenten kunnen sferen worden gecreëerd die mensen uitnodigen om onder bepaalde mentale omstandigheden voor bezinning, meditatie, rust en sociale interactie een groene plek te bezoeken. Op bepaalde plekken zouden thematische accenten kunnen worden gelegd die meer inspelen op de toenemende culturele diversiteit van de gebruikers. Natuur en cultuur kunnen hierbij hand in hand gaan.
Seizoensaspecten -- Beleving van de seizoenen wordt door veel mensen belangrijk gevonden; dat is in de eerste plaats te realiseren met ecologisch groenbeheer; maar ook door introductie van planten die seizoenen accentueren kan de seizoensbeleving worden bevorderd. Bijvoorbeeld: stinzenplanten in het voorjaar, vlinderplanten in de zomer, voorzomerbloeiers, groenblijvende planten voor in de winter, bomen, struiken en kruidachtige planten voor herfstkleuren, dood hout of bomen voor paddestoelen in de herfst.
Ontwerpelementen
Elementen die biodiversiteit bevorderen -- Binnen loop-, zicht- of waarnemingsafstand moeten mensen in contant kunnen komen met natuur. Vogelbosjes, voedertafels, nestkastjes, vlinderplanten of -tuinen, floristische elementen zoals bloemen, varens en paddestoelen. Zie ook bij ontwerp: seizoensaspecten)
Water -- Opvallende water- en oever planten, een beperkt aantal eenden en andere watervogels, kikkers en libellen zijn voor iedereen interessant. Vooral bewegende elementen trainen daarbij het waarnemingsvermogen of houden dat in een "goede" conditie.
Waterornamenten -- Dat is water om te zien, te horen, te voelen en om in te kunnen spelen. Fonteinen en kunstmatige watervallen kunnen daarbij worden gebruikt. Vooral grotere watervallen en fonteinen kunnen de invloed van storende geluiden reduceren.
Zintuigtuinen -- Het gaat hier om voelen, horen, ruiken en proeven van planten. Honderden planten komen hiervoor in aanmerking. (zie database op deze Cd-rom en www.vuurvlinders.nl )
Plantenbakken -- Plantenbakken op tafelhoogte stellen ouderen en rolstoelgangers in staat om beter met de planten in contact te komen. Zie ook foto.
Opnemen van historische landschapselementen -- Vooral landschapselementen met een cultuurhistorische betekenis, maken parken en recreatieterreinen zeer aantrekkelijk. Dat kunnen afzonderlijke boerderijen zijn, ruines van een voormalige fabriek, dorps- en zelfs stadsgezichten, zicht op landgoederen, landweggetjes etc. Door het opnemen van historische landschapselementen wordt de identiteit van een plek vergroot.
Speelelementen voor kinderen -- Kinderen spelen het liefst met elementaire materialen. Zand, (stromend) water, takken, verplaatsbaar hout, en stenen. Doordat al deze elementen steeds kunnen worden veranderd en verplaatst, kan er oneindig mee worden gespeeld.
Bosstructuur
Bos -- Activiteiten loofbos
Activiteiten in speelbossen, zoeken van vruchten, begrazing kunnen enorm bijdragen aan het bezoeken van een bos. Samenhang, complexiteit en leesbaarheid en de meeste andere punten die op deze pagina zijn genoemd bepalen voor veel mensen de toegankelijkheid van een bos.
Beheer en beleving – Het beheer is steeds meer gericht op toevoegen van natuurwaarde en op recreatie. Naaldhoutproductiebossen zijn bijna berucht om hun monotone karakter. Vooral als het gaat om aaneengesloten grootschalige percelen. Er moet echter wel gewezen worden op de meer positieve aspecten op lange termijn. Het kan een halve eeuw of langer duren voordat een naaldhoutproductiebos een natuurlijke uitstraling begint te krijgen. Op den duur kunnen oudere naaldbossen dan een hoge esthetische waarde krijgen. Deze neemt toe naarmate:
- Er mogelijkheden zijn voor recreatieve aspecten zoals het plukken van bosbessen.
- Het bos ouder wordt.
- De hoogte en de afstand van de bomen onderling toeneemt zodat er meer licht kan binnendringen.
- Onderbegroeiing (kruidlaag, struiklaag, mos, paddestoelen) aanwezig is.
- Structuurvariatie groter wordt (spontane bosvorming, natuurlijke gelaagdheid, onderbegroeiing, natuurlijke verjonging).
- Visuele penetratie (doorzicht, visuele toegankelijkheid) tot op zekere hoogte groter wordt.
- Het natuurlijke karakter toeneemt (vooral dood hout van loofbomen kan daar ook aan bijdragen).
- Een betere visuele afwisseling met loofbomen (beuk, eik, berk) aanwezig is.
- Een zekere mate van mystrieusiteit aanwezig is. Dit is geheimzinnigheid: alles is niet te overzien, maar men wordt wel nieuwsgierig wat er verder komt. Dit kan worden gestimuleerd door bochtige paden of coulisseachtige structuren.
- Water en natte bossen kunnen de belevingswaarde verhogen
 
Literatuur structuur, voorkeur en beleving
Angenent, J.J.M., L.H.E. Herbert, J. Oosterbaan & Th. van Zetten (1990). De belevingswaarde van Populierenbossen. Rapport 581. "De Dorschkamp", Instituut voor Bosbouw en groenbeheer, Wageningen, pp. 197.
Boer, T.A., de, E. Gerritsen & J.K. Raffe (2001). Beleving van bosbeelden; een methode voor het bepalen van de belevingswaarde van bosbeelden en de resutaten van een pilotonderzoek. Alterra rapport 250. Alterra, wageningen pp. 52.
Goossen, C.M. & P.W.F.M. Hommel (2003). Bos in water, water in bos: beleving van bossen in en aan water. Alterra-rapport, 886. ALterra: Wageningen, pp. 57.
Hagerhall, C.M. (2001). Consensus in landscape preference judgments. Journal of Environmental Psychology 21: 83-92.
Jorgenson, A., J. Hitchmough & T. Calvert (2002). Woodland spaces and edges: their impact on perception of safety and preference. Landscape and Urban Planning 60: 135-150.
Kaplan, R., S. Kaplan & L. Ryan (1998). With people in mind: design and management of everyday nature. Island Press, Washington, pp. 225.
Roovers, P., M. Hermy & H. Culinck (2002). Visitor profile, perceptions and expectations in forest from a gradient of increasing urbanisation in central Belgium. Landscape and Urban Planning 59 (3): 129-145.
Ryan, J. & A. Simson (2003). ‘Neighbourwoods’: identifying good practice in the Design of urban woodlands. Arboricultural Journal 26 (4): 309-331.
Rydberg, D. & J.Falf (1998). Designing the urban forest of tomorrow: Pre-commercial thinning adapted for use in urban areas in Sweden. Arboricultural Journal 22: 147-171.
Simson, A.J. (2000). The post-romantic landscape of Telford New Town. Landscape and Urban Planning 52 (2-3): 189-197.
Schroeder, H.W. (1988). Environment, behavior, and design research on urban forests. In: E.H. Zube & G.T. Moor (Eds) Advances in environment, behavior, and design (vol 2) Plenum, New York, pp. 87-113.
Talbot, J.F. & Kaplan (1986). Judging the sizes of urban areas: is bigger always better? Landscape Journal 5: 83-92.
Tyrvainen, L., H. Silvennoinen &. O. Kolehmainen (2003). Ecological and aesthetic values in urban forest management. Urban Forestry & Urban Greening 1: 135-149.
Williams, K.J.H. & J. Cary (2002). Landscape preferences, ecological quality, and biodiversity protection. Environment and Behavior 34 (2): 257-274.

Literatuur richtlijnen ontwerp
In de literatuur is een groot aantal richtlijnen (guidelines) te vinden voor de inrichting van de groene ruimte. Hier wordt onder meer verwezen naar: Alfonzo (2005); Boyle et al. (2004); Cooper Marcus & Francis (1997); Cooper Marcus. & Barnes (1999); CROW (2004); Franck & Paxson (1989); Hall, P & R. Imrie (2001) Herzog & Chernick ( 2000); Kaplan et al. (1998); Luymes & Tamminga (1995); Nasar, & Fisher (1993); Stoneham & Thoday (1996). Zie Literatuuroverzicht voor meer details over access en veiligheid.
 
De meest uitvoerige ontwerprichtlijnen voor het gebruik van de open groene ruimte (access) zijn te vinden in:
Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.)(1997). People places: design guidelines for urban open space . Wiley & Sons, Ontario, pp. 367.
In totaal bevat dit boek ca. 800 deels overlappende aandachtspunten die per hoofdstuk in een checklist zijn samengevat. De ontwerprichtlijnen hebben weliswaar betrekking op de Amerikaanse situatie, maar zijn ook inspirerend genoeg voor de Europese en zeer zeker voor de Nederlandse situatie. Omdat dit boek zo sterk praktijkgericht is, wordt er hier meer gedetailleerde informatie over de inhoud van dit boek gegeven.
- Cooper Marcus, C., C. Francis & R. Russell: Urban plazas. pp. 14-84.
- Cooper Marcus, C., C. M., Watsky, E. Insley & C. Francis: Neighborhood parks. pp. 85-148
- Cooper Marcus, C. & N. H. Greene: Miniparks and vest-pocket parks. pp. 149-174.
- Cooper Marcus, C. & T. Wischemann: Campus outdoor spaces. pp. 175-208.
- Cartens, D.Y. Outdoor spaces in housing for the elderly: pp. 210-257.
- Francis, C.: Child care outdoor spaces. pp. 259-310.
- Paine, R., C. Francis, C. Cooper Marcus & M. Branes : Hospital outdoor spaces. pp. 311-343.
Cooper Marcus, C., C. Francis & R. Russell (1997). Urban plazas. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario, pp. 14-84.
Outline and contents
- The authors define plazas as mostly hard surfaced, outdoor public space from which cars are excluded. It main function is as a place for strolling, sitting, eating, and watching the world go by. Unlike a sidewalk, it is a place in it own right rather than a space to pass through. Although there may trees, flowers or a ground cover in evidence, the predominant ground is hard; if grass and planted areas exceed the amount of hard surfaces, the authors define the space as a park rather than a plaza.
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of plazas. It is dealing with: The role for the urban plazas, literature on plazas, typology of downtown plazas (the street plaza, the corporate plaza, the urban oasis, the transit foyer, the street as plaza, the grand public place).
- Design recommendations (and issues) pp. 23-54: location, visual complexity, use and activities (passers-through and lingerers, male and female users, activities in urban space; homelessness, vandalism, and “undesirables”), microclimate (sunlight, temperature, glare, wind, overall comfort), boundaries and transitions, circulation, seating (the sitters, people watching, primary and secondary seating, styles of seating, benches, steps and ledges, social aspects, orientation of seating, seating materials), planting (variety, height, boundary planting, importance of colour and fragrance, provisions of lawn areas), level changes (sunken plazas, raised plazas), public art, food (eating, lunch).
- Case studies (10) of plazas (successful features/unsuccessful features) pp. 54-77.
- References pp. 77-80.
- Design review checklist (118 points of attention: preliminary questions, size, visual complexity, Uses and activities, microclimate, boundaries, subspaces, circulation, seating, planting, level changes, public art, fountains, sculpture, paving, food, programs, vendors, information and signs, maintenance and amenities) pp. 80-84.
 
Cooper Marcus, C., C. M., Watsky, E. Insley & C. Francis (1997). Neighborhood parks. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 85-148.
Outline and contents
- “A park is often considered an oasis of greenery in a concrete desert. For passersby as well as those who come into a park, its natural elements provide visual relief, seasonal change, and a link with the natural world. According to two major interviews of park use in San Francisco and London, the most frequently cited reason for park use was” contact with nature” In London, this motivation was cited more frequently by women than by men, by older than younger people, and by higher-income rather than lower-income users. Similarly, according to a study of heavily used midtown Manhattan park, the most frequently cited reason for the use was simply to relax and rest. When asked to describe these parks in tree words, more than half offered descriptions that could be classified under the general heading “park as retreat, using such words as greenery, nature, relaxing, comfortable, tranquil, peaceful, calm, urban oasis, and sanctuary”. (p. 89)
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of neighbourhood parks. It is dealing with: History and future of American / neighbourhood parks, the link between recreation and crime prevention, literature on parks, sociocultural differences in the use of urban parks. The recommendations are based on numerous park studies that observed activities, interviews, and analyzed what forms of design do and do not work for people. The guidelines are intentionally performance based rather than prescriptive, and they are presented as components parts that can be applied to a specific job or used to assess or develop a program for a park design
- Design recommendations (and issues) pp. 89-113: need of a natural setting, need for human contact (overt and covert socialisation), special user group needs (elderly, disabled, preschool users, users aged six to twelve, teen aged users, typical activities (conventional, unconventional, antisocial), safety issues in parks.
- Park typology and 15 Case studies of parks (successful and unsuccessful features) pp. 113-142;
- References pp. 142-143.
- Design review checklist (151 points of attention: user needs, elderly persons, disabled people, preschool children, school-aged children, teenagers, typical activities, antisocial activities, safety issues in parks) pp. 144-148.
Cooper Marcus, C. & N. H. Greene (1997). Miniparks and vest-pocket parks. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), and People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 149-174.
Outline and contents
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of imparks and vest-pocket parks. It is dealing with: History and desciption of small neighbourhood parks.
- The name minipark is relative: in big cities of New York and Philadelphia , a minipark may be only twenty feet wide. In Texas , one minipark turned out to be three acres, But usually they are one to tree lots in size. They have ranged in Costs from millions of dollars for Paley park in New York , built with private funds on high-rent commercial land, to a few hundred dollars if built with volunteer labour and donated materials on leased land. More than in almost any other open space plan, the designers of vest-pocket park or minipark must understand the neighbourhood's social and political complexities. Because they are providing for a wide range of ages and habits of the people who may use the park at different times of day or night, they want to get help from facilitators in recruiting representatives from the neighbourhood who can help make decisions about control, use, and design.
- Design recommendations (and issues) pp. 151-166: site selection, location and size, design program (users, community involment), entrance, boundaries, functional areas, play areas, plant materials, surfaces, site furniture, maintenance.
- Case studies (3) of minipark (successful features/unsuccessful features) pp. 166-171;
- References pp. 171-172.
- Design review checklist (59 points of attention: site selection, design program, entrance boundaries, function areas and circulation, play areas, plant materials, site furniture) pp. 173-174.
Cooper Marcus, C. & T. Wischemann (1997). Campus outdoor spaces. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 175-208.
Outline and contents
- The function of the campus is illustrated by the following citation: “An important criterion for evaluating campus plans would be to ask whether the campus plan encourage the maximum number of impromptu (ca.: improvised, spontaneous, informal) encounters with other students, with other faculty members, with visitors, with works of art, with books, and with activities which one is not himself a regular part… The efficiency of a campus plan is not merely to provide the physical setting in which the formal activities of the university are to take places. Much of the education of anybody occurs outside and separate from the formal courses un which he is registered, and only if the plan has the kinds of qualities which will stimulate curiosity, prompt casual encounters and conversation … will the atmosphere which it produces be truly educational in the broadest sense (Keast 1967)”
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of campus outdoor spaces. It is dealing with: Literature on campus open space and campus plans.
- Design recommendations (and issues ) pp. 176-199: home base: space adjacent to specific buildings (the front porch, the front yard, the back yard, the back door); common turf: campus spaces used by everyone (campus entrances, major plaza spaces, size, spatial attributes, favourite outdoor spaces, outdoor study areas); problems inhibiting campus outdoor use (crime and fear of crime, traffic), campus wear and tear, way finding.
- Case studies (3) of campus open space (successful features/unsuccessful features) pp. 199-204.
- References pp. 204-205.
- Design review checklist (75 points of attention: the front porch, the front yard, the back yard, the back door, campus entrances, major plaza spaces, favourite outdoor spaces, outdoor study areas, factors inhibiting campus use pp. 206-208.
Cartens, D.Y. (1997). Outdoor spaces in housing for the elderly. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 210-257.
Outline and contents
- For the elderly, comfort, safety and security, ease of access to the outdoors, and opportunities for meeting others and socializing become increasingly important aspects of outdoor use. Equally important are opportunities to enjoy nature and contribute to one's health and exercise by taking a short walk or just feeling the sun on one's face. Yet outdoor spaces connected to housing for older people often consist primarily of functional elements such as parking and service areas. Recreational enjoyment of outdoors is often neglected, or treated in a stereotypical way, ignoring the real and varied needs of older people.
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of outdoor spaces in housing for the elderly. It is dealing with: Design and the aging process, housing for the elderly, literature on design and aging.
- Design recommendations (and issues) pp. 212-239: general layout and clustering, microclimate, guidelines based on older people's social and psychological needs, site entry, main entry, shared patios and terraces, private patios and balconies, lawn areas, gardening areas, play areas for visiting children, walkways, walking surfaces, ramp and stairs, handrails, seating, tables, outdoor lighting, outdoor signs, the needs of residents with Alzheimer's disease in special care units.
- References pp. 249-251.
- Case studies (5)of outdoor spaces in housing for the elderly (successful features/unsuccessful features) pp. 239-249;
- Design review checklist (187 points of attention: goals of the outdoor=spaces, users, building mass and microclimate, site entry and arrival court, parking and secondary building entrances, circulation and orientation, transition zones, lawn areas, private patios and balconies, garden plots, play areas, Health and exercise, enjoying nature, sensory details, social interaction, security, encouragement of independence, seating and tables, handrails, lightings and signage, staffing and management, needs of resident with Alzheimer disease in special care units ) pp. 252-257.
Francis, C. (1997). Child care outdoor spaces. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 259-310.
Outline and contents
- Parents seek preschool programs not only for child care during a parent's workday but for social and developmental benefits possible in a peer group setting with trained professional caregivers and in an environment designed to enhance and facilitate that development. It has been pointed out that families often seek a day care centre that might act as a surrogate neighbourhood – a social community for both the children and adults that might replace the interactions that occurred on the block a generation ago. Considering the pressing and increasing need for child care and the magnitude and vulnerability of the affected population , it is clear that questions of care for these children is of national significance, demanding knowledgeable program development coupled with thoughtful and sensitive facilities design
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of child care outdoor spaces. It is dealing with: History, importance of the environment, literature on child care outdoor spaces, play and development in child care setting.
- Design recommendations (and issues) pp. 266-294: issues to consider before design (number and ages of children served, Building on a child's scale, variety an opportunity, sensory stimulation, manipulation, outdoor activities), site characteristics (amount of space, adjacent uses, entry, topography, natural areas, building and yard, activity areas and path. Microclimate), elements and equipment (storage. Planting, choosing plants, water, sand and dirt, animals; climbing, sliding and swinging, safety and playground equipments, loose parts, wheeled toys, real vehicles), space for infants, social issues (watching, joining, backing out, retreat), alternatives to ground-level playgrounds (rooftop play spaces, indoor street)
- Case studies (4) of child care outdoor spaces (successful features/unsuccessful features) pp. 295-304.
- References pp. 304-306.
- Design review checklist (134 points of attention: as Design recommendations) pp. 307-310.
Paine, R., C. Francis, C. Copper Marcus & M. Branes (1997). Hospital outdoor spaces. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 311-343.
Outline and contents
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of hospital outdoor spaces. It is dealing with: The evolution of hospital design, the changing medical paradigm and research linking health and environment, literature on hospital outdoor spaces, users of hospital outdoor spaces, Activities in hospital outdoor spaces.
- Design recommendations (and issues) pp. 320-331: site planning and location, physic access to outdoor spaces, views to outdoors, awareness of outdoor spaces, planting, site furniture.
- Case studies (5)of hospital outdoor spaces (successful features/unsuccessful features) pp. 331-338.
- References pp. 339-340.
- Design review checklist (83 points of attention: adult patients, child patients, visitors, staff, site planning and location, physical access, views to outdoors, awareness to outdoor spaces, planting, site furniture) pp. 341-343.
Characteristics of eight nature/garden rooms (derived form Grahn, 2005)
Het meest relevante onderzoek voor het stedelijk gebied is wellicht dat van Berggren-Barring & Grahn (1995), Grahn (2005)en Stigsdotter (2002 en 2005). Aan de hand van een uitvoerig onderzoek in drie steden in Zweden werden voor de open groene ruimte acht basiskenmerken onderscheiden (Zie Tabel). Dit is ook in de geest van de “Vierde nota over ruimtelijke ordening” (Ministerie van VROM,1988) waarin verscheidenheid één van de aspecten is die bepalend zijn voor de kwaliteit van de woon - en leefomgeving. Het is dus gewenst dat er een variatie van verschillende landschapstypen en sferen of sfeerbeelden is.
 
Grahn, P. & A-M. Berggren-Bärring (1995). Experiencing parks. Man's basic underlying concepts of qualities and activities and their impact on park design. Ecological Aspects of Green Areas in Urban Environments. IFPRA World Congress, Antwerp, Flanders, Belgium, 3-8 September, pp. 97-101.
Grahn, P. Stigsdotter, U. & A-M. Berggren-Bärring (2005). A planning tool for designing sustainable and healthy cities. The importance of experienced characteristics in urban green open spaces for people's health and well-being. In Conference proceedings “Quality and Significance of Green Urban Areas”, April 14-15, Van Hall Larenstein University of Professional Education, Velp, The Netherlands, pp. 29-38.