Struwelen voor bijen langs het spoor--- -------
Langs spoorwegen zijn struwelen substantiële leveranciers van stuifmeel en nectar. Ze trekken daardoor zowel veel honingbijen als wilde bijen aan. Vooral in de periode 1980-1995 plaatsen imkers hun bijenvolken in de omgeving van deze struwelen, soms gewoon in de spoorberm. (maar dat is te ontraden).
Doornstruwelen en brem groeien op de vochtige tot droge bermen; Wilgenbroekstruwelen in natte spoorweggreppels of verlandende spoorsloten. Het probleem van struwelen is dat ze vaak te breed uitgroeien en daardoor de toegang tot het spoor belemmeren waardoor er een onveilige situatie ontstaat voor het onderhoudspersoneel. De eerste paar meter wordt daarom vrijgehouden van houtige begroeiingen (zie bij grauwe wilg en sleedoorn). Eenmaal in de 5 tot 20 jaar (soms nooit) moet de struwelen worden afgezet. Maar steeds vaker (in ieder geval in de periode (1985-1995) worden daar machines voor ingezet die ecologisch niet verantwoord zijn. Daarbij komt nog dat ruig beheer de belevingswaarde van het landschap sterk onder druk zet.

In natte greppels en bermen langs het spoor komen begroeiingen met grauwe wilg frequent voor. Daar worden ze vaak massaal door bijen en hommels bevlogen. Ook solitaire bijen komen hier veelvuldig voor. (Maastricht 1995)
 
Gelderse roos komt frequent voor in natte struwelen. Zowel de bloemen als de bessen geven deze struik een bijzondere esthetische kwaliteit. De bloemen worden door bloembezoekende insecten o.m. bijen bezocht en de bessen worden door vogels gegeten. (De Groep bij Schrepezeel 2008).
 
Wilgenbroek struweel
Tussen de struwelen - hier wilgenbroek struweel - komt vaak ruigte voor. Op de foto onder meer met grote wederik (geel). Deze soort wordt alleen door de slobkousbij bezocht. (Buitenpost 1988)
Andere nectar en stuifmeelplanten die hier vaak voorkomen zijn:

Houtige drachtplanten: sporkehout, grauwe wilg, geoorde wilg; gagel, kruipwilg, laurierwilg, zwarte els, wilde lijsterbes, Gelderse roos, boswilg.


 
Hondsroos komt vaak langs spoorlijken en op spoorwegemplacementen voor en is een goede stuifmeelleverancier.
 
Deze spoorwegbeplanting is gedeeltelijk aangeplant, maar heeft in de loop der jaren een volledig natuurlijk karakter gekregen. Deze struweelachtige begroeiing wordt druk door bijen bevlogen(Renswoude ca. 1990)
 
Vooral in de periode 1970-1990 kwamen omvangrijke bremstruwelen geregeld op spoorwegtaluds voor. Het zijn enorme stuifmeelleveranciers. (Wolfheze 1995)
 
Langs spoorwegen kan brem lange lintvormige vegetaties vormen. (De Haar 1992)
 
Gaspeldoorn is een typische zonplant. Ontbreek hier op het Noorden geëxponeerde talud volledig en groeit hier eveneens op heischrale bodem heel vaak samen met struikhei. Dit fenomeen is ook op de Posbank bij Rheden en het Hazenpad bij Ede goed te zien. (Ede 1995)