HOVENIERSPERIODE

Na de lagere school (tegenwoordig de basisschool) ging ik na vier weken vakantie direct aan het werk als leerling hovenier. Aanvankelijk wilde ik bij Diergaarde Blijdorp gaan werken, Dat kon echter niet, omdat ik te jong was om zondagdienst te mogen doen. Daar moest je 15 jaar voor zijn en ik was net twee maanden te jong. Met tuinieren was ik toen al zeer vertrouwd. Dat had ik van mijn vader meegekregen die ook tuinman was. Het leek mij iets minder spannend dan de dierentuin, maar ik deed het werk met veel plezier.
Toen ik 15 jaar was geworden ging ik vier avonden in de week naar de avondschool van de lagere tuinbouwschool. Ik vond de lessenongelooflijk interessant. We kregen bodemkunde, bemestingsleer en nog veel meer. Na het behalen van het diploma schreef ik mij direct in voor de opleiding hoveniersknecht. We moesten daar vooral veel plantensoorten leren, maar de meeste planten kende ik al lang. Daarna volgde ik de opleiding voor eerste knecht, waarin een sterke nadruk lag op materialen (planten-)kennis. In de winter kregen we tuintekenen. Dit vond ik een geweldig leuk vak, maar het luidde ook het einde in van mijn hoveniersopleiding. Mijn interesse was gewekt om tuinarchitect te willen worden. Ik raadpleegde de docenten over de mogelijkheden daarover. Het bleek voor mij  onmogelijk, omdat  ik  niet voldoende vooropleiding had. Voor mijn gevoel zat ik toen op een doodlopende weg. Met het diploma  in zicht, stopte ik direct met de opleiding eerste knecht, tot groot verdriet van mijn ouders. Ik was toen18 jaar.
De enige manier om van deze doodlopende weg  af te komen was meer vooropleiding. Ik ging allerlei cursussen volgen. Als eerste talen bij het NTI (Nederlands Talen Instituut). Dat waren schriftelijk lessen met een grammofoonplaat. Later stapte ik over naar de LOI (Leidse onderwijsInstellingen). Als eerste ook voor talen en vervolgens voor het hele lespakket HBS-B.
In de winterperiode zocht ik meestal voor een of twee maanden een  tijdelijk baantje om ervaring op te doen met ander werk, maar vooral ook omdat ik geen zin had in het stomme winterwerk. Mijn baas was daar heel blij mee, want dan hoefde hij me geen salaris uit te betalen.
Ik werkte achtereenvolgens 4 weken op een scheepvaart kantoor, twee maanden op een accountantskantoor en twee maanden op een laboratorium in Duitsland. Dit laatste werd geregeld met een klant (een filiaalhouder van een Duits staalbedrijf) waarmee ik zeer goed kon opschieten. Ik wilde ervaring opdoen met de Duitse taal. Hij regelde niet alleen een werkplek, maar ook een appartement voor gastmedewerkers. Ik hoefde geen huur te betalen. Voor mijn doen kreeg ik een vorstelijk weekloon, dat netto  3 tot 4 tientjes hoger was dan het salaris voor mijn werk in de tuin.
In 1969 raakte ik verzeild bij de Hollandse Bank Uni, waar ik  een deel van het buitenlands valutaverkeer moest controleren. Spannend was het niet, maar het werk ging me heel goed af. Tot grote verbazing van mijn collega's op de afdeling kreeg ik na een paar maanden een vast contract en maakte ik promotie. Maar een  dag later stond ik bij de directeur met de vraag of ik op staande voet ontslag mocht nemen. Ik wilde weer terug naar de tuin.
Dat werk kreeg een onverwachte wending, waaraan ik nog nooit eerder  had gedacht. Toevallig  zag ik een advertentie voor een medewerker in de verkoop/productieplannig bij het chrysantenteelt- bedrijf Fides in De Lier. Dat maakte mij nieuwsgierig. Een paar dagen later was ik daar aan de slag voor een weekloon van f175,- netto. Dit was f35,- meer dat het maximale CAO loon in de tuin en f50,-- meer dan bij de bank. Het weekloon in de tuin lag aanzienlijk hoger dan op de bank. Veel medewerkers liepen daar in een deftig pak, maar  verdienden  vaak niet het zout in de pap.
De invloed van mijn hoveniersperiode op mijn latere studie en werk
- Doordat ik van huis uit plantenkennis met de paplepel kreeg ingegoten en zowel in de tuin, als ook door de hoveniersopleiding intensief in contact kwam met een zeer groot aantal planten, was het herkennen en determineren van plantensoorten in mijn latere  universitaire studie een peulenschil.
- Belangrijker was nog, dat ik erin getraind was om met planten om te gaan. Ik wist niet alleen hoe ze groeiden, maar ook hoe je de groei en de bloei van planten kon beïnvloeden. Vroeg of te vroeg afknippen van vaste planten leidde vaak tot een rijkere en compactere bloei. Dit gebeurt tot de dag vandaag ook in het landschap: te vroeg maaien is een ramp voor de bloem bezoekende insecten, maar het geeft vaak een veel mooier landschapsbeeld. Deze methode wordt ook vaak toegepast bij grootschalige aanplant van vaste planten. Dit lijkt voor velen nieuw, maar het hoorde gewoon bij het ouderwetse hoveniers vak.
- Een brede kijk op exotische planten en de toepassing daarvan.
Het staat buiten kijf dat het inheemse sortiment de meeste biodiversiteit oplevert, maar exotische planten zijn zo sterk met onze cultuur vergroeid, dat ze er niet meer uit weg te denken zijn. Als dat een gegeven  feit is, kun je cultivars heel goed benutten om de positie van de bloem bezoekende insecten te versterken. Veel ecologen denken daar anders over. Die zijn terecht bang voor invasieve plantensoorten, maar dat betreft een minderheid van de tuinplanten.
Een voorbeeld. Een voorbeeld
- De tuinen hebben mij nooit meer los gelaten. In de eerste plaats ben ik in onze eigen tuin steeds met experimenten bezig . Daarnaast heb ik vooral na 1990 in binnen- en buitenland zeer veel tuinen bezocht. Met betrekking tot wilde bijen heb ik daar nu veel profijt van.
- Heel erg belangrijk was, dat ik in deze werkperiode had geleerd om goed met de klanten op te kunnen schieten. In de ogen van mijn baas soms te goed. We hadden onder meer de burgemeester als klant. Mijn baas kwam nooit verder dan de voor- of achterdeur. Maar als ik daar alleen werkte, zat ik verschillende keren bij de burgemeester in de woonkamer koffie te drinken. Ik had het dan over mijn vak en over de cursussen die ik bij de LOI volgde. Het gaf me dan ook een heel goed gevoel dat ik door de burgemeester werd aangemoedigd.