VORMINGSWERK IN EDE EN ENTREE UNIVERSITEIT 1971-1979
Ik kon dus kiezen uit een aanstelling op vier vormingscentra: een ongekende luxe situatie. Ik koos voor Ede omdat de directeur (Kees Spiering) zeer maatschappelijk geëngageerd was. De meest indringende vraag die ik bij mijn sollicitatie kreeg, was: "Hoe lang blijf je hier werken?". Ik had inmiddels 8 werkgevers gehad. Ik beloofde vijf jaar te blijven, daarna wilde ik weer terug naar een groen vak. Het werden  acht jaren, achteraf gezien tropenjaren.
Voorwaarde voor mijn aanstelling was, dat ik ook naar de Sociale Academie zou gaan. Dat was voor mij geen enkel probleem, want het sloot voor mijn gevoel heel goed aan bij mijn eerdere studie psychologie en filosofie. Het werd Academie De Horst te Driebergen en ik kreeg ondermeer les van
Piet Reckman
Het werk was extreem intensief. Maar als enige van mijn collega’s kon ik me acht jaar lang goed staande houden. Mijn drie jaar achterstand op de lagere school en wat daarna volgde, bleek een enorme voorsprong te zijn op mijn geschoolde collega's. Zij waren na de lagere school direct doorgegaan naar het vervolgonderwijs en vervolgens naar het hoger onderwijs. In de ogen van de directeur en het bestuur van het Vormingscentrum behoorde ik zelf tot de jongeren waarmee ik moest werken. Ik verstond in ieder geval hun taal en begreep het meeste van hun cultuur.
Met het bestuur had ik alleen maar kennis gemaakt, maar na een paar maanden was het duidelijk dat we inhoudelijk mijlen ver uit elkaar lagen.
Van de sociale academie naar de universiteit 1975
Schoolbiologisch werkkamp
Het laatste jaar van de sociale academie ging ik nadenken over hoe het verder moest met mijn loopbaan. Terug naar de tuin was geen optie.
Wij (ik was inmiddels ook getrouwd) waren ook lid van het IVN (Instituut voor natuureducatie en duurzaamheid). Deze organisatie organiseerde  jaarlijks een school biologisch werkkamp voor het onderwijs. Dat leek mij wel interessant. Eigenlijk mocht ik daar niet aan deelnemen, omdat ik niet echt in het onderwijs werkte. Ook van mijn collega's mocht het niet, omdat het niet binnen de doelstelling paste. Beide opvattingen waren volgens mij lariekoek. Bij het IVN was enige overtuigingskracht nodig, maar op het vormingsinstituut ontaardde het in een stevige strijd. Ik dacht dat ik met ruimdenkende mensen te maken had, maar als het er op aankwam  was de meerderheid van mijn collega's oerconservatief. Uiteindelijk lukte het toch om met dit kamp mee te doen (10 dagen op Texel in 1975).
Een van de docenten was Jan Wartena, de auteur van het kinderboek 'Ogen op steeltjes'. Hij was  gespecialiseerd in kennis over insecten. Dat onderwerp trok ook mij geweldig aan. Vooral de wilde bijen. Destijds  had ik geen enkel vermoeden dat deelname aan dit werkkamp zo’n grote impact zou hebben op mijn verdere loopbaan.
Naar de universiteit
Een week voordat ik naar het werkkamp ging wilde ik me inschrijven bij de Rijksuniversiteit Utrecht voor de bijzondere universitaire opleiding MO biologie. Ik had geen officiële vooropleiding die mij toegang gaf tot universitair onderwijs. Op basis van mijn sociale academie kon dat in principe wel, maar dan moest ik eerst een voorbereidend jaar volgen voor scheikunde, natuurkunde en wiskunde. Ik was veel te laat met de inschrijving, dus was het heel erg spannend. Tijdens het schoolbiologisch werkkamp kreeg ik het bericht, dat ik mij mocht inschrijven. Een nieuwe periode was begonnen.
De eerste vier jaar van deze opleiding deed ik dat parttime op woensdagmiddag en -avond en op zaterdag de hele dag. Soms ook in weekenden en studie weken. Na vier jaar kon ik MO-A examen doen. Ik mocht ook doorgaan voor MO-B en het doctoraal examen. Dat laatste  wilde ik  fulltime doen, omdat de opleiding  anders  een gebed  zonder end zou worden. Die symbolische examens geloofde ik wel. Ik wilde gewoon doorgaan en alles in een keer afronden. Dit kon allemaal probleemloos worden geregeld.
Ik kon nog kiezen tussen een zekere carrière in het sociaal-cultureel werk; de laatste twee jaar werkte ik daar als waarnemend directeur. Dat was voor de meeste van mijn collega-directeuren een springplank naar een hogere maatschappelijke status, maar voor zulk soort zaken was ik tamelijk immuun. Na lang wikken en wegen nam ik na 8 jaar mijn ontslag bij het vormingscentrum en ruilde die baan in voor een studiebeurs en een renteloos voorschot. Alles bij elkaar was dat een inkomen van ca. f 1200, - per maand, voor die tijd nog ruim boven de armoedegrens. Het was een riskante onderneming, want ook in de jaren tachtig van de vorige eeuw was er een grote werkeloosheid.
De invloed van mijn vormingswerkperiode op mijn latere werk
- Mijn ervaringen opgedaan in het vormingswerk en op de sociaal academische opleiding zouden in mijn latere werk goed van pas komen. Dit gold vooral bij het advieswerk bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer en bij de ondersteuning van mensen in het groene vak. Ik zou heel vaak in situaties terecht komen waarin tegengestelde belangen en opvattingen een rol speelden.
- Het uitgangspunt bij dit werk was steeds beginnen waar de mensen zijn met betrekking tot hun kennis en belevingsniveau. Verder moest je ook rekening houden met culturele en maatschappelijk achtergrond van de persoon. Dit is sterk van toepassing in het stedelijk groen. De groenbeheerder zit met zijn eigen kennis en beleving ingebed in de sociaal-culturele achtergrond van zijn werkgever, de burgers van de stad, de woonwijk of de straat. Vanuit deze complexe context moeten er dingen worden veranderd.
- Een voorbeeld
  In 1995 moest ik in Ede  een lezing, tevens discussie- avond houden over het leven op het platteland van Ede. Leden van milieuverenigingen en vertegenwoordigers van de boerengemeenschap zouden samen aanwezig zijn. De wethouder wilde de partijen scheiden om conflicten te voorkomen. Dus moesten er twee lezingen worden gegeven. Ik weigerde dat en zei:" Ik kom alleen als alle kippen allemaal in het zelfde hok zitten". De wethouder stemde schoorvoetend in, maar voor hem was het een spannend avontuur. Hij ging uit van tegenstellingen. Ik ging uit van de sociaal-culturele achtergrond van de verschillende partijen. Er werd die avond stevig gediscussieerd zonder enige wanklank. De wethouder zei achteraf: "Dit is de eerste keer dat ik meemaak dat boeren en milieuorganisaties op een normale manier met elkaar in gesprek gaan". Lees meer
 
Invloed op publicaties
De ervaringen opgedaan in mijn sociaal-culturele werk  zouden een rol spelen in mijn groene werk. Deze kwamen in alle hevigheid terug toen er in Nederland aandacht begon te komen voor omgevingspsychologie en de algemene maatschappelijke betekenis van groen. Bij mijn entree (1990) als stadsecoloog bij De Dorschkamp , Instituut voor Bosbouw en Groenbeheer  in Wageningen, begon ik ook met een zelfstudie over de maatschappelijke betekenis van de groene buitenruimte. Dit leidde tot enkele publicaties.
  De groene omgeving: een bijdrage tot een gezonde samenleving. (1994)
 

Cd-rom: groen voor gezondheid, welzijn en biodiversiteit. (2007)

  www.groenopbouwwerk.nl (2010) ---- Vakblad Groen