DE ADVIESGROEP VEGETATIE BEHEER EN STEDELIJK GROEN
Stedelijk groen was bij de Adviesgroep een Hoofdpijn Dossier, dat tot 1993 door ging.
Het hoveniersbloed stroomde nog volop door mijn aderen. Ik kon het niet nalaten om als de tijd dat toeliet, vanaf ieder NS station een rondje door de stad of gemeente te maken. Altijd had ik  daarvoor in de trein een vouwfiets bij me. Dit deed ik al tijdens mijn doctoraal onderzoek. De hamvraag voor mij was eigenlijk (nu anders geformuleerd dan toen): Hoe kunnen ecologische en belevingsaspecten van het stedelijk groen worden gerealiseerd in de stedelijke en gemeentelijke openbare ruimte? Over dit onderwerp publiceerde ik in verschillende groene tijdschriften.
Naast mijn interesse in wilde bijen, was ik ook geïnteresseerd in honingbijen. (Zie verder bij honingbijen) Dit leidde niet alleen tot lezingen en adviezen, maar ook tot publicaties die vaak betrekking hadden op het voorkomen van honingbijen en de relatie met het stedelijk groen.
Daarmee begon ook het hoofdpijn dossier. Het beheer van stedelijk groen was een taak voor het Consulentschap Stedelijk Groen van het ministerie van LNV (ik weet niet zeker of deze naam juist is). Formeel mocht de Adviesgroep vegetatiebeheer zich niet met stedelijk groen bezighouden. De publicaties werden ons op zijn zachtst gezegd niet in dank afgenomen. Daar kwam echter nog een probleem boven op. Telefonisch kwamen er naar aanleiding van die publicaties veel vragen binnen die betrekking hadden op het ecologisch beheer van stedelijk groen. Veel van die vragen konden we (Henk Heemsbergen en ik ) goed telefonisch beantwoorden. Maar wij verwezen door naar het Consulentschap. Na een uur of een dag later hingen de mensen opnieuw aan de telefoon. Bij het Consulentschap werden ze niets wijzer.
Mijn doorbraak op het stedelijk groengebied kwam door een toevalligheid tot stand. Mijn contactpersoon van het ministerie van LNV wilde een dag met mij mee om ook een indruk te krijgen  van de spoorwegflora.. Dat werd een excursie naar Zuid-Limburg. In de trein liet hij mij een concept rapport over stadsecologie zien, waarvan het groene gedeelte aan alle kanten rammelde. Het was een bureaustuk door iemand geschreven die er weinig van begreep. Er was geen geld en tijd voor een nieuw rapport, maar er moest wel iets komen. Ik kon ook niets bedenken. Het enige dat op korte termijn nog kon, was het bundelen van mijn eigen publicaties plus toevoegingen van enkele nog niet ongepubliceerde fragmenten en tabellen. Ik durfde dat aan, want uit het hele land had ik steeds zeer goede reacties gekregen op mijn artikelen. Alles stond op de PC. Ik zou het bundelen en inleveren. Het grootste probleem was, dat er met uitzondering van het omslag, geen enkele financiële ruimte was om ook maar iets aan de lay-out toe te voegen. De titel van het rapport (142 pag.) was: Stedelijk groen natuurlijker (Koster, 1989). Het voorwoord geeft de tijdgeest weer.
Het rapport zou op aanvraag gratis worden verspreid. Het rapport zag er uit als een concept, maar bij LNV waren ze zeer enthousiast. Het ging puur om de inhoud, de rest deed er niet toe. Er werden 3000 exemplaren gedrukt. Die waren binnen een paar weken weg. Dus volgde er nog een herdruk van 1500 ex. Het was geen pronkstuk, maar ik heb daar nooit een opmerking over gekregen. Door een artikel in de NRC kreeg het rapport ondanks de zeer simpele uitvoering en het vrijwel ontbreken van foto's nog meer status. Vooral omdat het door Marion de Boo (wetenschapsjournalist & tekstschrijver)was geschreven.
Er was wel een afspraak aan gekoppeld dat het rapport ook als boek zou worden uitgegeven. Het ministerie van LNV zou dat subsidiëren. Bij het Consulentschap Stedelijk Groen sloeg de vlam in de pan. Maar de leidinggevenden van het ministerie van LNV hadden daar geen boodschap meer aan. Als ze de opdracht  bij het Consulentschap niet konden uitvoeren, dan moest de Adviesgroep Vegetatiebeheer het maar doen. Kortom we konden onze gang gaan. Het instituut dat daarvoor speciaal in het leven was geroepen stond op het gebied van ecologisch groenbeheer buiten spel.
Het streven van Professor Zonderwijk was ook  de chemische onkruidbestrijding in het openbaar groen te verminderen. In openbare beplantingen was dat al duidelijk verwezenlijkt, maar op verhardingen ging het erg moeizaam. Maar waar geen chemische onkruidbestrijding meer plaatsvond kwamen allerlei planten op de verharding te voorschijn. Zwervend door het land werden door mij de soorten genoteerd. Dit was de laatste opdracht die ik deed bij de Adviesgroep vegetatiebeheer. Het onderzoek leidde tot het eerste artikel over dit onderwerp.