HONINGBIJEN EN BIJENTEELT
Naast  wilde bijen, ben ik ook geïnteresseerd in honingbijen. We klagen nu vaak over te weinig dracht- en bijenplanten, maar dat was in de jaren tachtig een veel ernstiger probleem. Tijdens mijn doctoraalstudie maakte ik kennis met Ley Hensels, de auteur van het eerste drachtplantenboek in Nederland (Hensels, 1981). Aan de drachtplantenlijst in dit boek kon ik al direct meer dan honderd planten toevoegen. Dit was voor mij ook het startschot om systematisch een lijst van drachtplanten bij te gaan houden. Deze lijst was niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, want daar was geen tijd voor, maar werd door mij wel zeer kritisch samengesteld. Ik keek eerst naar het gedrag van de bijen  (nectar of stuifmeel verzamelen) en hoe trouw een bepaalde plant werd bezocht. Bij een boswilg was het altijd raak , terwijl een soort als fluitenkruid veel minder en onregelmatiger werd bezocht. Daarnaast hield ik ook een lijst van vlinderplanten bij. Zie verder bij 35 jaar beheer van bloem bezoekende insecten. (in prep. 2015)
Opleiding leraarbijenteelt en NBV
Als ik iets zinvols voor de honingbijen wilde doen, moest ik er veel meer van weten. Ley Hensels (Auteur van verschillende boeken over dracht) bracht mij op het spoor van de  Opleiding  tot Leraar bijenteelt, die werd gegeven onder de vlag van het ministerie van LNV. Deze twee jarige opleiding was eigenlijk bestemd voor mensen met een onderwijsbevoegdheid. Die bezat ik wel voor het vormingswerk dat ook officieel onderwijs was. Maar dat diploma werd niet erkend. (Lang leve de ambtenarij.) Toch werd ik wel toegelaten op de opleiding, maar ik mocht niet voor de klas gaan staan (LBO/MBO).Dat stond ook ver van mijn ambities. Maar ik was en ik ben nog steeds trots op onderstaande verklaring, die in mijn eigen beleving gewoon een diploma is. Het gevolg van deze opleiding was, dat ik mijn entree maakte in de imkerswereld en van daaruit werd overstelpt met vragen over drachtverbetering.
Om de positie van honingbijen en ook van andere insecten onder de aandacht te brengen schreef ik daarover in allerlei groene tijdschriften. Ik wees er vooral op hoe door middel van ecologisch groenbeheer de dracht kon worden verbeterd. Deze publicaties werden ook weer gevolgd door een reeks van lezingen.Mijn eeste artikel over honingbijen verscheen in het Vakblad Groen 1987
In de jaren tachtig was ik ook lid van de Vereniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland (VBBN); tegenwoordig de NBV- Nederlandse Bijenhouders Vereniging. Ik had zelf drie grote volken en in de zomerperiode ook drie kleine. Die stonden op het platte keuken dak. Die bijen heb ik 6 jaar gehad. Door zeer drukke werkzaamheden kon ik ze niet handhaven. Ik zegde toen ook mijn lidmaatschap op. Later had ik daar ook weer spijt van. Ik overlegde met Ley Hensels Wie is dit? die ik geregeld zag. Hij adviseerde mij om geen lid van een bijenhouders vereniging te worden. Er waren vier verenigen/bonden die min of meer met elkaar rivaliseerden. Ik had een neutraal standpunt en kon als een van de weinigen meer zeggen zonder dat dit tot vervelende discussies leidde. In de praktijk stond ik dichtst bij de standpunten van de VBBN. Ik had veel contacten met leden van het hoofdbestruur Catherine Reker, Dick Vunderink, Piet Muntjewerf en anderen.
 
Honingwinning in relatie met maatschappelijk aspecten
In 1997 kreeg ik  in het kader van een EU-opdracht de vraag "Maatregelen tot verbetering van de productie en afzet van honing" te onderzoeken. Doel van dit onderzoek was een overzicht te geven van de mogelijkheden om de honingproductie te verbeteren. Eerlijk gezegd zag ik daar geen brood in. In de eerste plaats had ik dat al zoveel keer gedaan en met de honing had ik niet zo veel. Maar het was wel een weer en kans om honingbijen voor het voetlicht te brengen. Dus  bedacht ik mijn eigen ding in een Brusselse verpakking. Het kostte wel enige moeite om dat voor elkaar te krijgen, maar dat had meer te maken met de punten en komma's dan met de inhoud. Het rapport zag het daglicht onder de naam 'Honingwinning in relatie met maatschappelijk aspecten'.
Nectar en stuifmeel producerende planten hebben ruimte nodig. Aangezien ruimte in Nederland zeer schaars is, moet de verbetering van de honingproductie geïntegreerd worden in andere maatschappelijke doelstellingen. Het rapport gaf daar voorbeelden van. Door de bijenhoudersvereningen, groenbeheerders en vele andere werd dit rapport zeer goed ontvangen. Het was voor het eerst dat in een officieel rapport honingbijen in een brede maatschappelijke context werden geplaatst. Honing speelde in dit rapport nauwelijks een rol.
Ik was sinds 10 jaar geen lid meer van de Nederlandse Bijenhouders Vereniging, maar toch  werd ik wel als zodanig beschouwd. In 2000 kreeg ik van de voorzitter Dick Vunderink het zilveren Erekorfje (de hoogste onderscheiding van de NBV) uitgereikt. Ik was en ik ben daar nog steeds zeer trots op.
De bijentafels van Frank Mandersloot
Zoals het vaak gaat vloeit uit het ene het andere voort. Ik werd onder meer betrokken bij het tot stand komen van de - in stadsdeel Zeeburg. De gemeente vroeg mij om een advies of het houden van honingbijen op dit kunstwerk op zo'n extreme plek mogelijk was. Ik kwam tot de conclusie dat het kon. Ik had er ook mijn eigen ideeen bij. Bij de voorlichtingsavond, bleek de landschapsarchitect niet van goede wil. Hij had geen enkele boodschap aan drachtplanten. Hij was naar Barcelona geweest en was geinspireerd om Italiaanse populieren te planten. Wel een woon plaats voor bijen, maar geen voedsels dicht bij huis. De kwalificatie voor deze instelling laat ik graag aan de lezer over.
Zoals het vaak gaat vloeit uit het ene het andere voort. Ik werd onder meer betrokken bij het tot stand komen van de bijentafels in stadsdeel Zeeburg (Amsterdam). De gemeente vroeg mij om een advies of het houden van honingbijen op dit kunstwerk op zo'n extreme plek mogelijk was. Ik kwam tot de conclusie dat het kon. Ik had er ook mijn eigen ideeën bij.
Bij de voorlichtingsavond, bleek echter dat de landschapsarchitect niet van goede wil was. Hij had geen enkele boodschap aan drachtplanten. Hij was naar Barcelona geweest en was geïnspireerd om Italiaanse populieren te planten. Wel een woonplaats voor bijen, maar geen voedsel dicht bij huis. De kwalificatie voor deze instelling laat ik graag aan de lezer over.
 
Plantenvademecum voor tuin, park en landschap
In 2003 (ik was toen Lector op Hogeschool van Hall Larenstein) kreeg ik van Roel ten Klei (voorzitter van de NBV en manager van Het Bijenhuis in Wageningen) het verzoek om een nieuw drachtplantenboek (Plantenvademecum) te schrijven. Ik voelde me zeer vereerd, maar het moest iets meer worden dan alleen maar een drachtplantenboek. Vooral als je drachtplanten ecologisch wilt beheren, moet je ook kennis hebben van een groot aantal andere planten. Met die opvatting ging de NBV  akkoord. Het boek was eigenlijk een uitgebreide voorzetting van het Plantenvademecum. Het verschil was dat er ook een paar honderd exotische tuinplanten aan waren toegevoegd. Verder moest er veel meer aandacht worden geschonken aan het beheer en wilde ik de planten ook in een databasevorm laten uitgeven. Ik had zelf een Excel document in gebruik met ruim 120 zoekfuncties. Maar bij docenten, studentenen imkers werkte dat niet. Het overgrote deel van de doelgroep kon niet met Excel omgaan als het bestand meer dan 5 of 10 kolommen bevatten. Het Excel bestand werd ook in Access omgezet, maar dat was helemaal een ramp. Ook een deskundige die de Uitgever Wie ?had ingehuurd was niet in staat om een gebruiksvriendelijk zoeksysteem te ontwikkelen. Ik bedacht mijn eigen systeem. Het had beperkingen, maar het werkte wel. De presentatie van het Plantenvademecum stond al vast, maar door het gedoe met de database verscheen het pas een paar maanden later. De database werkte in ieder geval perfect.  Commentaar: "Niet eerder kon zo snel een gewenste lijst van drachtplanten- soorten worden samengesteld".
Voor het grote publiek was het boek iets te moeilijk. Het Dagblad De Pers besteedde er vrijwel een hele pagina aan. Maar de kop "boek voor groene doorzetters" was veelzeggend. Toen het einde van het boek in zicht kwam werd er een begin gemaakt met de website www.drachtplanten.nl thans ook www.bijenplanten.nl. Zie ook Vakblad voor Groen Onderwijs
Ik was met www.bijenplanten.nl begonnen want dat had ook betrekking op wilde bijen. Maar iedereen gebruikte het begrip drachtplant, terwijl dat zeer specifiek bedoeld was voor honingbijen. Dus schakelde ik ook maar over naar drachtplanten.nl. Gelukkig had ik de beide domeinnamen al in een vroeg stadium geclaimd.
 
Weer lid van de NBV
Voor 2010 had ik een heftig meningsverschil over een rapport dat door Alterra in opdracht van LNV was gemaakt. Dat liep zo hoog op dat daar door de Partij van de Dieren vragen aan de Minister werden gesteld. Om geen oude koeien uit de sloot te halen ga ik daar nu niet meer op in. Het feit was dat ik toch min of meer geïntegreerd was met het bijenteeltgebeuren, maar dat ik er formeel eigenlijk buiten stond. De eerder genoemde opmerking van Lei Hensels was niet of veel minder van toepassing. Dus werd ik in 2010 opnieuw lid van de NBV, maar voor mij zijn alle bijenverenigingen gelijk.
Literatuur honingbijen en vegetatie- en groenbeheer
Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Natura 84, 6: 123-128.
Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Groen 43, 10: 20-24.
Koster, A., 1987. Nogmaals akkeronkruiden langs het spoor 2. Natura 84, 5: 106-107.
Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Bijenteelt 90, 3: 80-82; 90, 4:107-109.
Koster, A., 1987. Gevolgen van het uitzetten van bijenvolken voor andere bloembezoekers no 2. Bijenteelt 89, 6: 182-184.
Koster, A., 1988. Mogelijkheden tot drachtverbetering langs waterkanten in het stedelijk gebied. Bijenteelt 90, 10: 271-274.
Koster, A., 1988. Natuurlijke begroeiing op spoorwegterreinen als voorbeeld van een meer natuurlijk drachtgebied. Bijenteelt 90, 10: 167-170.
Koster, A., 1989. Knelpunten bij aanleg en beheer van "natuurlijke" drachtgebieden. Bijenteelt 91, 11:
Koster, A., 1993. Ecologisch beheer van wilde drachtplanten. Bijen 2, 5: 131-132.
Koster, A., 1998. Honingbijen en wilde bijen zijn concurrenten. Bijen 7, 10: 265-269.
Koster, A., 1999. Honingwinning in relatie tot maatschappelijke aspecten. IBN-rapport 438. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 86 p.+ bijlage.
Koster, A., 2004 . Honingbijen in  Amsterdam. Kunstraad Amsterdam.
Koster, A. 2009. Help de bij een handje. Tuin & Landschap 31 (8): 38-39.
Koster, A. 2010.  Openbaar groen en de betekenis voor bijen: Aandachtspunten en richtlijnen voor het bevorderen van de bijenstand door middel van ecologisch groenbeheer en het toepassen van stuifmeel- en nectarproducerende planten (drachtplanten). Bijenstichting 53 pp. (pdf)
Drachtplanten
Koster, A., 1993. Vademecum wilde planten. Schuyt, Haarlem. 272 p.
Koster, A., 2005. Bijenplanten voor tuin, park en landschap. Tuin & Landschap 27 (5): 16-18.
Koster, A., 2007. Plantenvademecum voor tuin park en landschap. Fontaine Uitgevers, s-Graveland: 416 p.
Koster, A. 2010.  Openbaar groen en de betekenis voor bijen: Aandachtspunten en richtlijnen voor het bevorderen van de bijenstand door middel van ecologisch groenbeheer en het toepassen van stuifmeel- en nectarproducerende planten (drachtplanten). Bijenstichting 53 pp. (pdf)