WILDE BIJEN, ANDERE BLOEMBEZOEKENDE INSECTEN EN DE WEBSITE
Wilde bijen en andere bloembezoekende insecten  waren en zijn een dominante rode draad in mijn werk. ( Zie Vakblad Groen. In prep.) Om echt systematisch iets met wilde bijen te doen was heel moeilijk. Nadat ik het maskerbijenonderzoek had voltooid, wilde ik een dergelijk onderzoek ook voor andere wilde bijensoorten gaan doen, maar ik kwam niet verder dan de Slobkousbij en de Bonte viltbij. De beschikbare tijd liet dat niet toe. Ik zwierf wel met Broeder Lefeber over de Zuid- en Midden-Limburgse spoorwegemplacementen. Hij reed op een bromfiets, die de leeftijd van de schroothoop al ver was gepasseerd en ik ging met de fiets. We vingen bijen. Hij determineerde ze en stuurde ze naar mij op of nam ze mee naar de wintervergaderingen van de Entomologische Vereniging. Ik besefte heel duidelijk, dat op de meeste spoorwegemplacementen veel wilde bijen voorkwamen. Heel af en toe gunde ik me even tijd om wat bijen te vangen. Dat deed ik  onder meer in Sneek, waar ik heel veel kwam vanwege familiebezoek. Ook was ik een keer in Zuid-Limburg om de Gehoornde maskerbij te zoeken. Deze soort was min of meer beperkt of het meest bekend van Maastricht en de mergelgroeve bij de Sint Pietersberg. Maar ook die soort bleek ineens vrijwel overal aanwezig tussen Susteren en Maastricht. De laatste jrwn was ik weer geregeld in Maastricht op wilde bijen te fotograferen. Dat deed ik samen met Cor evers. We hadden plannen, maar dat ging door het vrij plotseling overlijden van Cor niet meer door. http://www.tuinwild.nl
 
Broeder Vergilius (Lefeber) tusen Ransdaal en Schin op Geul
Toen ik bij de Dorschkamp stadsecoloog werd 1990 , kwam ik in een situatie dat ik tijd had om globaal de ontwikkeling van de wilde bijenstand kon waarnemen. Ik zag meer wilde bijen dan in de eerste helft van de jaren tachtig in de vorige eeuw. In het Europees Natuurbeschermingsjaar 1995 was ik dagelijks in gemeentelijk openbaar groen bezig. Daarom kon ik constateren, dat het openbaar groen vergeleken met 1990 opvallend bloemrijker was geworden. Dat had duidelijk zijn invloed op de wilde bijenstand. Het idee van het eerder genoemde promotieonderzoek was geboren.
Na mijn promotie onderzoek dacht ik weer tijd te hebben voor de wilde bijen. Maar ik rolde in een lectoraat bij de Hogeschool Van Hall Larenstein. Van enige systematische aanpak om onderzoek naar wilde bijen te doen bestond daardoor geen enkele mogelijkheid.
Waar ik op alle fronten steeds het hardst in negatieve zin  mee werd geconfronteerd, was het kennisniveau van flora, vegetatie en beheer. Ook bij geschoolde groene mensen was dit vaak bedroevend.
Toen ik vol trots mijn diploma hoveniersknecht haalde (1963), maakte mijn baas de opmerking dat ik daarmee nog geen hovenier was. Dat gold ook voor de huisschilders, die ik bij de klanten vaak tegenkwam. Je moest zeven jaar echt in het vak gezeten hebben voordat je schilder of hovenier was. Je zou het kunnen vergelijken met het Gilde in vroegere eeuwen.
Om de kwaliteit van de producten hoog te houden mocht iemand niet zomaar lid worden van een gilde. Een jongen (vrouwen verrichtten geen ambacht en werden geen lid van gilden) die een bepaald vak wilden uitvoeren ging op jonge leeftijd bij een gildemeester in de leer. Wanneer de meester de jongen geschikt vond, werd hij na enige tijd benoemd tot gezel. De gezel werkte in loondienst voor de meester. Als de gezel goed genoeg was bevonden, kon deze na een periode, meestal tussen de vijf en negen jaar, een meesterproef afleggen. Hiermee kon de gezel bewijzen dat hij zijn vak beheerste. Pas wanneer de gezel hiervoor was geslaagd mocht hij zich meester noemen en mocht hij zijn eigen bedrijf beginnen. (Wikipedia). Voor het leren begrijpen en uitvoeren van vegetatiebeheer geldt een dergelijke vooropleiding  nog veel sterker.
In de praktijk werd ik vooral na 1990 zwaar geconfronteerd met allerlei soorten groenmensen die wel gediplomeerd waren, maar zelden iets in de praktijk hadden gedaan waar ze wijzer van werden. Nog sterker uitgedrukt, ze waren hun schoolkennis weer  vergeten. Hierover kun  je van allerlei meningen over hebben, maar het is nu (tijdelijk?) een gegeven feit. Als reactie hierop kwam de website tot stand. Primair zag ik de inhoud van deze website als nazorg voor de pas afgestudeerde studenten. De foetus daarvan was de CD in het Plantenvademencum, die na een transformatie werd omgedoopt in www.bijenhelpdesk.nl.
Waar ik wel steeds systematisch mee bezig kon blijven was het bijenbeheer. Om dit te bestuderen is het niet noodzakelijk bijen te verzamelen. Je moet kunnen inschatten welke vegetatie- en vegetatiestructuren er op een bepaalde plek mogelijk zijn en hoe die in verhouding staat tot nestgelegenheid en de potentiele bijenpopulatie. Je schat in wat de totale natuurlijke potentie is en je geeft vervolgens aan hoe dat te is realiseren. Dat hoort bij het meesterschap.
Daarnaast communiceerde ik intensief over mijn werk; vooral via dagbladen en tijdschriften. De publicatie van een tijdschrift- artikel of een rapport leidde meestal tot contacten met de pers en interviews met tijdschriften.
Als reactie op allerlei vragen naar aanleiding van de website en de foto van een door mijn vrouw ontworpen bijenhotel  in onze tuin  ontstond geleidelijk  ook de website www.bijenhotels.nl.

In Engeland kwam ik via een Engelse collega (Nigel Dunett) ook in contact met een fotograaf (Jane Sebire). Beiden Logeerden i.v.m. een studiereis door Nederland bij ons thuis. Ze waren direct gefascineerd door de tuin en het bijenhotel. Een jaar later stond de tuin en het bijenhotel in de Garden. Als je in zo'n tijdschrift komt, krijg je wel een bijzonder gevoel.

Zie fragment artikel

Groencontact

Groen

Enkle interviews en krantenartikelen --- Kinderen bouwen een bijenhotel
Wilde bijen in: Vakblad Groen --- Stadswerk --- Groencontact -- Groencontact2
Literatuur overzicht wilde bijen en beheer bloembezoekende insecten
Koster, A., 1980. Enkele gegevens over het bijengeslacht Hylaeus in Nederland in 1979 en 1980. Doctoraalverslag Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden. 65 p.
Koster, A., 1881. Hylaeus bipunctatus and its relation to Resda in The Netherlands (Hym., Apoidae). In: J. van Tol & J. van Helsdingen: Nieuwsbrief EIS-Nderland 10: 45-46.
Koster, A., 1986. Het genus Hylaeus in Nederland (Hymenoptera, Colletidae). Zoölogische Bijdragen 36: 1-120.
Koster, A., 1986. Meer mogelijkheden voor insekten in wegbermen. De Levende Natuur 87, 5: 154-157.
Koster, A., 1986. Aantekeningen over de spoorwegflora en -fauna van Friesland. Vanellus 39, 5: 113-121.
Koster, A., 1986. Sterke uitbreiding van de Gehoornde maskerbij (Hylaeus cornutus Curtis, 1831) langs het spoor in Zuid-Limburg. Natuurhistorisch Maandblad 75, 12: 235-238.
Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Natura 84, 6: 123-128.
Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Groen 43, 10: 20-24.
Koster, A., 1988. Insektenbeheer: Gewenst beheer van sterk door de mens beïnvloede levensgemeenschappen zowel in het landelijk als in het stedelijk gebied. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 187. 112 p.
Koster, A., 1989. Beheer van ongewervelde diersoorten. De Levende Natuur 90, 1: 32.
Koster, A., 1988. Vooral insekten profiteren van stedelijk groen. Tuin & Landschap 10, 7: 19-21, 23.
Koster, A., 1989. Insektenbeheer in wegbermen en langs spoorlijnen. In: W. Ellis, Wetenschappelijke Mededeling KNNV 192; 151-161.
Koster, A., 1989. Insektenbeheer in het stedelijk gebied.Ministerie van Landbouw en Visserij: Adviesgroep vegetatiebeheer. (Symposium insektenbeheer 18-3-1989 te Deventer en PHLO-cursus 1990 Amersfoort). 18 p.
Koster, A., & P. Zonderwijk 1995. Hommelbeheer is vegetatiebeheer. Natura 92, 9: 234-235.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Groningen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 19 p; bijlagen.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Arnhem. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 21 p.; bijlagen.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Zutphen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 37 p.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Rotterdam. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 53 p.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Nijmegen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 41 p.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Maastricht. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 46 p.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Hilversum. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 45 p.
Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Deventer. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 52 p.
Koster, A., 2001. Bijen in het openbaar groen: pioniervegetaties, Grasland, ruigte en beplantingen. Groen 57 (7/8): 23-29.
Koster, A., 2000. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Ede. Alterra-rapport 19. 86 p.
Koster, A., 2000. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Barneveld en Voorthuizen. Alterra-rapport 041.73 p.
Koster, A., 2000. Wilde bijen in het stedelijk groen. De Levende Natuur 101 (6): 213-215.
Koster, A., 2000. Wilde bijen in het stedelijk groen, een evaluatie van ecologisch groenbeheer. Alterra-rapport 48. Alterra, Wageningen. 220 p.
Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2: ecologische kwaliteit ook door bijen bepaald. Bijen
Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2. Groen 56, 4: 11-16.
Koster, A., 2000. Bijen in en om het openbaar groen: groenbeheer in de 20e eeuw. Groen 56, 2: 29-34.
Koster, A., 2001. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Sneek. Alterra, Wageningen.  & Gemeente Sneek. 81 p.
Koster, A., 2001. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Amsterdam. Alterra-rapport: 129 pp.
Koster, A., 2001. Openbaar groen op ecologische Grondslag. Proefschrift, Landbouwuniversiteit Wageningen. 264 p.
Koster, A., 2005. Bijenplanten voor tuin, park en landschap. Tuin & Landschap 27 (5): 16-18.
Koster, A. 2009. Help de bij een handje. Tuin & Landschap 31 (8): 38-39.
Koster, A., 2010. Wat goed is voor bijen, is goed voor de biodiversiteit. Tuin & Landschap 32 (12): 30-31.
Koster, A., 2010. Betekenis van bijen voor mens en natuur: bijensterfte vergt extra maatregelen. Natura 106 (5): 140-142.
Koster, A. 2010. Bijen en openbaar groen. Groencontact 36 (5): 10-13.
Koster, A., 2012. 2012 Het jaar van de bij: actiejaar voor volkstuinders. Tuinliefhebber 2012(2): 6-8.
Koster, A., 2013. Wilde bijen in en om het stedelijk gebied. Groen 69: (3) 29-33.
Koster, A., 2013. Bijenhotels in de publieke ruimte. Groen 69 (12): 11-15.