Herkenningstabel voor grazige vegetaties
Waarschuwing. Voor een nauwkeurige identificering van een plantengemeenschap zijn vegetatieopnamen noodzakelijk. Voor een oriëntatie kunnen de herkenningstabellen worden gebruikt. In het zelfde terrein kunnen verschillende plantengemeenschappen naast elkaar voorkomen. Buiten de natuurreservaten en natuurterreinen zijn plantengemeenschappen ten opzichten van het beeld dat in de gelinkte pagina's wordt gegeven, floristisch gezien, meestal sterk verarmd.
Herkenningstabel voor graslandvegetaties !
Bodem nat/plas-dras; 's-winters blank, 's-zomers met hoge grondwaterstand.
Grasland op natte tot zeer vochtig bodem; staat in de winter vaak geheel of gedeeltelijk onder water; 's-zomers vaak plas-dras of met een hoge grondwaterstand niet dieper dan 20 cm. In het duingebied kan het grondwater tot 0,5 m boven het maaiveld stijgen en in een droog zomerseizoen kan het tot 0,8 m onder het maaiveld zakken.
16Ab Hooilanden op drassige tot natte, matig voedselrijke venige tot kleiige bodem. De vegetatie wordt ca. 60 tot 80 cm hoog (individuele planten hoger dan 1m) en is in de zomer voor de eerste maaibeurt groen tot donkergroen gekleurd.
  Voorkomen: In het grootste deel van het land; in beek- en rivierdalen, boezemlanden en op vlietlanden.
  Kenmerkende soorten: Brede orchis/rietorchis, echte koekoeksbloem, moerasrolklaver, gewone dotterbloem, grote ratelaar, tweerijige zegge.
  Kensoorten van Associaties: Veldrus (Aspect bepalend), rietorchis, waterkruiskruid, bosbies.
  Verder onder meer: Biezenkoppen, gewone engelwortel, kale jonker, kleine valeriaan, wilde bertram.
  Dotterbloem-verbond Ga naar beheertype G8
   
16Aa Hooilanden op natte, voedselarme tot schrale, zandige tot venige bodems.  Door het lage beschikbare fosfaatgehalte in de bodem wordt plantengroei sterk beperkt. In de zomer toont de vegetatie een zwak grijsblauwe zeem dat veroorzaakt wordt door grassen en biesachtige planten. Een moslaag is vaak duidelijk aanwezig. De vegetatie wordt gedomineerd door laagblijvende (tot 20-30cm) grassen, zeggen en andere biesachtige planten.
  Voorkomen: Ten oosten van de lijn Leeuwarden-Bergen op Zoom; in beekdalen, laagveengebieden, in lage delen van heidegebieden.
  Kenmerkende soorten (kensoorten Associaties): blauwe knoop,  Spaanse ruiter en blauwe zegge.
  Verder onder meer: Borstelgras, brede orchis, fijn schapengras, gewone engelwortel,  gewone waternavel, grote kattenstaart, grote wederik, hennengras, hondsviooltje, kale jonker,  melkeppe, moerasspirea, moerasviooltje, paddenrus, pijpenstrootje, riet, ronde zonnedauw, tandjesgras, tormentil, wilde bertram.
Blauwgrasland Ga naar beheertype G1
   
9 Laagblijvende plantengemeenschappen op schrale tot voedselarme, natte, meestal organische substraten. Ze komen voor in trilvenen (laagveenmoerassen), zeer natte venige bodems in beekdalen en in duinvalleien. Trilvenen drijven op het water waardoor de waterstand tamelijk constant blijft. Ze drijven met het waterpeil mee. Op andere humeuze gronden staat het water in de winter tot aan het maaiveld of iets er boven; in de zomer daalt het grondwaterpeil niet verder dan tot ca. 20 cm onder het maaiveld. De bodem blijft onder die omstandigheden nog zeer vochtig. In duinvalleien kunnen aanzienlijke fluctuaties voorkomen. In de winter kan het ruim 0,5 m boven het maaiveld staan, in zeer droge zomers kan het tot 0,8 m onder het maaiveld dalen. Een duidelijke moslaag is aanwezig. De hoogte van de gemiddelde vegetatie bedraagt ca. 20-30 cm, maar verspreid of pleksgewijs komen er ook soorten voor die aanzienlijk hoger worden.
  Voorkomen: In het grootste deel van het land, maar niet in het Noordelijk Kleidistrict.
  Kenmerkende soorten: Egelboterbloem, gewone waternavel, grote veenbes, moerasbasterdwederik,  moeraskartelblad, moerasstruisgras zomprus,  wateraardbei, watermunt, zeegroene muur, zwarte zegge. Afhankelijke van de ontwikkeling en het beheer van de vegetatie zijn bies- en grasachtige planten aspectbepalend.
  Soorten van zwakzure bodems, in hoofdzaak voor in laagveengebieden: Biezenknoppen, blauwe zegge, gewone veenbies, grote wederik, hennengras, kamvaren, ronde zonnedauw, moerasviooltje,  smalle stekelvaren, veenpluis.
  Soorten van basenrijke of kalkrijke bodems, in hoofdzaak in duinvalleien:  Dwergzegge, knopbies, moeraswespenorchis, parnassia, rietorchis, vleeskleurige orchis, geelhartje.
  Klasse der kleine zegge Ga naar beheertype G1
   
16c Hooilanden op natte voedselrijke zware zavel en lichte kleigronden. Ook op klei-op-veenbodems. De bodems staan in de winter en in zeer natte perioden vaak blank; in de zomer zijn ze vochtig of oppervlakkig uitgedroogd. De hoge grondwaterstand in de winter kan zowel door kwelwater als door overstroming (Overijsselse Vecht en Zwarte Water) worden veroorzaakt.
  Voorkomen: Vooral in gebied van de Overijsselse Vecht en het Zwarte Water (ook in natte bermen en aan voeten van dijken en spoordijken); verder in de omgeving van Gouda. Daar tot ca. 1990 ook in de spoorbermen.
  Kenmerkende soorten: Beemdlangbloem, gestreepte witbol, gewone brunel, gewoon reukgras, grote vossenstaart, kruipende boterbloem, pinksterbloem, rode klaver, scherpe boterbloem, veldzuring, vertakte leeuwentand, witte klaver. 
  Kenmerkende soorten Associatie: Kievitsbloem, echte koekoeksbloem, gewone dotterbloem, gulden boterbloem,speenkruid.
  Verbond van grote vossenstaart Ga naar beheertype G7
   
Droge, voedselarme zand- of lichte zavelbodem; vegetatie relatief laag tot ca 30 (50) cm
14 Droge voedselarme tot vrij schrale, meestal humusarme tot humusloze, zure tot kalkrijke leemloze tot leemhoudende zandgrond.
  Voorkomen: Komt, "compleet" of fragmentarisch in alle zandgebieden en droge zandige milieus voor (duinen, binnenland, langs rivieren, stedelijk gebied, industriegebieden, spoorwegterreinen, wegbermen, kanaalovers). 
  Kenmerkende soorten: Buntgras, fijn schapengras, gewone rolklaver, gewone veldbies, gewoon biggenkruid, gewoon reukgras, gewoon struisgras, grote tijm, hazenpootje, kleine leeuwentand, liggende klaver, muizenoor, muurpeper, rood zwenkgras, ruw vergeet-mij-nietje, schapenzuring, viltganzerik, vroege haver, vroegeling, zandhoornbloem, zandmuur, zandzegge.
  Klasse der droge graslanden op zandgrond Ga naar beheertype G3
   
19 Droge  tot vochtige, soms drassige, zure, voedselarme tot schrale leemhoudende min of meer podzolachtige, leemhoudende zandige bodems en soms venige bodems.
  Voorkomen: In hoofdzaak op de pleistocene zandgronden in minder mate in duingebied. Vaak langs randen van heidevelden en tot voor 2000 ook langs spoorwegen (vaak met wolverlei!).
  Kenmerkende soorten: Borstelgras, fijn schapengras, gewone veldbies, gewoon biggenkruid, gewoon reukgras, gewoon struisgras, hondsviooltje, mannetjesereprijs, muizenoor, schapenzuring, stijve ogenstroost, tandjesgras, tormentil.
  Klasse der heischrale graslanden Ga naar beheertype G2
   
Droge kalkbodems in Zuid-Limburg
15 Droge tot matig droge, laagproductieve graslanden op kalkrijke/basenrijke bodems, op plaatsen waar het krijtgesteente aan de oppervlakte komt.
  Voorkomen: Alleen in Zuid-Limburg; meestal op hellingen, taluds van wegen en spoorwegen..
  Kenmerkende soorten: Bevertjes, driedistel, duifkruid, geelhartje, gevinde kortsteel, gewone rolklaver, grote centaurie, grote tijm, kleine bevernel, kleine pimpernel, knolboterbloem, kruipend stalkruid, ruige weegbree, wondklaver, zeegroene zegge,
  Kalkgrasland Ga naar beheertype G4
   
Overwegend vochtige tot zomerdroge, matig tot zeer voedselrijke bodems; vegetatie ca. 0,5-1,0 (1,5)m hoog
16 Vochtige tot vochthoudende, matig voedselrijke tot (zeer) voedselrijke, veelal humeuze klei, zavelige en zandige bodem. Onder meer op dijken, bermen en allerlei plaatsen in de stedelijke omgeving.
  Voorkomen: In het overgrote van het land. Combinaties van deze soorten komen het meest voor.
  Kenmerkende soorten: Beemdlangbloem, gestreepte witbol, gewone hoornbloem, gewone paardenbloem, glanshaver, kamgras, kruipende boterbloem, pinksterbloem, rode klaver, scherpe boterbloem, veldzuring, witte klaver.
  Klasse der matig voedselrijke graslanden Ga naar beheertype G7
   
Zilte en brakke bodems
26Ac Soortenarme plantengemeenschappen die veelal door grassen worden gedomineerd. De twee associaties die op deze pagina worden genoemd staan min of meer tussen pioniervegetaties en graslandvegetaties in.
  Voorkomen: Hogere delen van kwelders en groene stranden in het Zuidwesten van het land, in het Waddengebied en langs de Dollard.
  Kenmerkende soorten: Engels gras, gewone zoutmelde, lamsoor, rood zwenkgras, schorrenzoutgras, zeealsum, zeeweegbree, zilte rus,zulte.
Verbond van Engels gras Ga naar beheertype G0
 
Gras met soorten van bos- en bosranden op droge tot iets vochtige, kalkarme, zandige bodem
18 Lintvormige, grazige tot zoomachtige plantengemeenschappen langs bosranden, struweel en houtwallen; in bermen, greppelkantjes en spoorbermen; vaak onder laanboombeplantingen sterk verarmd soms ook langs beplantingen in het buitengebied.
  Voorkomen: Ze komen voornamelijk voor op de pleistocene zandgronden; locaal in het Duindistrict. Langs bosranden of onder : zomereik, ruwe berk, Amerikaanse eik en beuk. Soms zijn de bomen afwezig of gekapt en blijft de vegetatie als relict nog een aantal jaren voorbestaan. De echte bos- en bosrandsoorten verdwijnen dan op den duur.
  Kenmerkende soorten: Adelaarsvaren, boshavikskruid, dalkruid,  echte guldenroede, gestreepte witbol, gewone eikvaren, gewoon biggenkruid, gladde witbol, grote wederik, hengel,  pilzegge, schermhavikskruid, stijfhavikskruid, valse salie, wilde kamperfoelie .
  Klasse van gladde witbol van havikskruiden Ga naar beheertype G10
   
Natte en droge heide
11 Natte heide: vochtige tot natte, voedselarme, zure, zandige en venige bodems.  Als er sprake is van een zandige bodem is deze meestal met een dunne venige laag bedekt. In de winter kan het water ruim 10 cm boven het maaiveld staan in het droge zomerseizoen tot 50 cm er onder
  Voorkomen: Pleistocene zandgronden, in duinvalleien boven Bergen en de Waddeneilanden.
  Kenmerkende soorten: Gewone dophei, kraaihei, blauwe zegge, ronde zonnedauw, veenpluis.
  Dophei-verbond Ga naar beheertype G1
   
20 Heidevegetaties op droge tot vochtige zandige tot lemige, voedselarme, zure bodem.
  Voorkomen: Pleistocene zandgronden en de duinen.
  Kenmerkende soorten: Struikhei, bochtige smele, dophei, fijn schapengras, kruipbrem, pijpenstrootje, stekelbrem. In de duinen boven Bergen vooral kraaihei en de Waddeneilanden
  Klasse der droge heide Ga naar beheertype G2