script language="Javascript1.2">
Een of twee maaibeurten en veilige maaidata
 

Grazige vegetaties die hoger zijn dan 50 cm moeten 2 x per jaar worden gemaaid om een maximale floristische biodiversiteit te bereiken. Dat moet dan na de zaadrijping. Dus na de bloei. Als er voor de bloei wordt gemaaid is dat voor de bloemen rijkdom vaak geen probleem. De eerste maaibeurt levert dan planten met maaivormen op. Die zijn gedrongen en vaak meer vertakt en bloeien vaak rijker. Door de latere bloei kan de zaadrijping daardoor wel in gevaar komen. Op termijn kunnen soorten daardoor uit de vegetatie verdwijnen. Als er in de tweede helft van mei wordt gemaaid komt het overgrote deel van de planten nog wel in bloei en kunnen zelfs nog rijpe zaden leveren.

Voor verschillende plantensoorten die geen hergroei kennen is een vroege maaibeurt funest en moet er na de zaadrijping worden gemaaid. In tuinen kan men de zaadrijping afwachten, maar als men wil of moet plannen dan gelden, afhankelijk van de voorkomende soorten, veilige maaidata voor de eerste maaibeurt. Dit geldt vooral voor ochideeën die steeds meer in stedelijke vegetaties voorkomen. Een keer of twee keer te vroeg maaien overleven ze wel, maar als dat te vaak gebeurt, verdwijnen ze uit de vegetatie.

Een ander punt is dat verschuiven van de bloeitijd de synrchonisatie met insecten die van stuifmeel van deze planten afhankelijk zijn verbreekt. Te vroeg maaien levert vaak wel mooie vegetgatie op, maar minder biodiversiteit. Aan de bijen is dat het duidelijkst te zien. Als die uit hun nesten komen, moeten bloeiende planten aanwezig ziijn. Honingbijen, hommels en vlinders hebben daar vaak geen of minder last van, maar voor wilde bijen is het zeer funest. Gefaseerd beheer kan dat probleem voor een groot deel ondervangen. Het is een wetenschap die al ruim een halve eeuw oud is (zie Morris, M.G. (1968, 1969).

Rietochis eind augustus of na zaadval
Blauwe knoop rond eind september
Aardaker niet later dan rond half mei
Grote ratelaar na de zaadrijping juli-augustgus

Graslandvegetaties waar gewoon biggenkruid (zie foto's) in voorkomt zouden eigenlijk 1 x per jaar kunnen worden gemaaid. Als gewoon biggenkruid zich in grasland heeft gevestigd, kan hij zich in grasland met open plekken snel uitbreiden. Maar als de grasmat te dicht groeit, wordt de kieming van zaden en de ontwikkeling van nieuwe rozetten die door de oude plant worden gevormd door lichtconcurrentie van de grassen belemmerd. Er komen dan geen nieuwe planten bij en de oudere planten verdwijnen geleidelijk uit de vegetatie.

Door twee keer per groeiseizoente maaien is dat tegen te gaan. De eerste maaibeurt vindt dan plaats rond half mei of direct na de bloei in juli. Er volgt dan meestal een tweede bloei die dan in het begin van de herfst moet worden gemaaid. Gewoon biggenkruid wordt dan wel erg kunstmatig in standgehouden.
De vraag per locatie is: wat is het effect van 2 of 1 x maaien op andere planten die in de vegetatie voorkomen. Dit vooral ook in relatie met de bloembezoekende insecten van de andere planten. Voor bermen die gedomineerd worden door gewoon biggenkruid, zouden de effecten van gedifferentieerd beheer onderzocht kunnen worden. Wat komt er voor biggenkruid in de plaatst of zit deze plant op de grens van 1 of 2 maaibeurten per jaar?

Op voedselrijke, vochtige grond gaat een overschakeling van 2 maaibeurten naar een gepaard met een vermindering van het aantal planten soorten.

In de jaren 90 van de vorige eeuw werd er al gevraagd of bermen op voedselrijke gronden één in plaats van twee keer per jaar konden worden gemaaid. Want dat leverde flinke bezuinigingen op. Het antwoord van de adviesgroep vegetatiebeheer was steeds en heel duidelijk nee. Later is dat door anderen opnieuw onderzocht (Haterd,et al.2009). Twee keer per maaien met afvoer van het maaisel levert het beste resultaat. Bij één keer maaien loopt het aantal planten soorten duidelijk terug.

Zie verder bij beheertypen G0-G10

Biggenkruid na het pluizen juli
Gewoon barbarakruid augustus
Paarse morgenster half augustus