Bloemrijke graslandvegetaties zijn levensgemeenschappen
Grazige vegetaties worden door maaien, begrazen en branden in stand gehouden. Het maaien gebeurde voor 1990 in de stad en voor 1970 in wegbermen zo frequent, dat plantensoorten nauwelijks bloemen konden ontwikkelen en dus niet tot zaadzetting konden komen. In de periode daarna werd vooral van bermen, parken en recreatieterreinen de maaifrequentie teruggebracht tot 1 of 2 maal per jaar. Dit leidde vaak tot bloemrijke vegetaties. De maaimachines of maaicombinaties die toen werden gebruikt waren aanzienlijk lichter dan nu. Extreme spoorvorming en bodemverdichting kwamen nauwelijks voor.
Graslanden zijn "lage" tot half hoge (tot ca. 1m hoog, soms tot 1,8 m hoge ) gesloten vegetaties van voornamelijk overblijvende kruiden waarin de grassen domineren of een belangrijke plaats innemen. Graslandvegetaties worden voornamelijk in stand gehouden door maaien en begrazen.

Tot in de eerste helft van de 20-ste eeuw was ieder landschap gekenmerkt door karakteristieke graslanden. Een kalkgrasland in Zuid-Limburg zag er totaal anders uit dan een grasland in het noorden van Nederland. De graslanden in de beekdalen vertoonden een totaal ander beeld dan die van de uiterwaarden. De rivierdijken langs de grote rivieren bezaten een eigen karakteristieke vegetatie die niet te vergelijken was met die van polderdijken.
De enorme intensivering van de landbouw zijn de verschillen zeer sterk genivelleerd. Maar er waren ook tegenbewegingen. Natuurmonumenten en andere natuurbeschermingsorganisaties probeerden te redden wat er te redden viel. In de jaren zeventig kwam door bemoeienissen van prof. dr. P. Zonderwijk het nieuwe bermbeheer in opkomst. Dat leidde tot bloemrijke bermen met vele zeldzame soorten. Ook in het stedelijk gebied begon vanaf begin jaren tachtig een ander beheer in zwang te raken.
Vele natuurontwikkelingsprojecten zowel in het landelijk als in het stedelijk gebied brengen weer iets van die oude glorie terug. Door bezuinigingen die gepaard gaan met ruig beheer en extreem zware machines, lijkt deze winst ook weer verloren te gaan.
Grasland op verschillende bodems speelt een rol in het voorkomen van specifieke planten en dieren. Per streek en per bodemsoort kan de soortensamenstelling verschillen. Karakteristieke soorten van het kalkgrasland tref je niet snel ergens anders aan. Hetzelfde geldt ook voor soorten van dijk- en taludvegetaties of soorten van voedselarme, natte bodems en arme, droge bodems. Maar ook graslanden van voedselrijke gronden, die niet overbemest zijn, kunnen heel karakteristieke graslandplanten herbergen. Zonder graslandvegetaties zou de Nederlandse flora aanzienlijk minder soorten tellen. Dit geldt ook voor de fauna. Veel vlinders, bijen en andere insecten zijn voor voedsel en voortplanting afhankelijk van graslanden. Veel weidevogels broeden uitsluitend in grasland. Bloemrijke vegetaties, die niet te vroeg worden gemaaid, leveren zaden die door vogels worden gegeten.
Bloemrijke graslanden en bermen zijn belangrijk voor bloembezoekende insecten, onder meer l voor wilde bijen en vlinders. Daarnaast zijn er zeer waarschijnlijk nog minsten 1000 andere kleine dieren die in grazige vegetaties leven. Biodiversiteit redden we niet door te veel naar aaibare dieren te kijken. Grasland moeten we als levensgemeenschap benaderen en ook als zodanig beheren. Voor de biodiversiteit zijn de grassen ook zeer belangrijk. We moeten niet de krenten uit de pap vissen en ons te veel richten op bloemenrijkdom en zo veel mogelijk vlinders of bijen. Het accent van deze website ligt op wilde bijen. Maar wel in samenhang met de levensgemeenschappen waar ze deel van uitmaken.
In tuinen, parken en op bedrijventerreinen kunnen we bloemrijke begroeiingen aanleggen voor de bloembezoekende insecten. Dat is vanuit verschillende invalshoeken te rechtvaardigen. Maar dat mag niet de norm voor biodiversiteit gaan worden. Natuurlijke grazige vegetaties die er minder spectaculair uit zien dragen vrijwel zeker meer bij aan de biodiversiteit. Daar is deze website ook op gericht.