script language="Javascript1.2">
Natuurtechnische bodembewerking

Natuurtechnische bodembewerking heeft tot doel optimale voorwaarden te scheppen voor natuur­ontwikkeling die het beste bij een bepaald bodemtype past. De wijze waarop natuurtechnisch grondwerk wordt uitgevoerd, heeft een belangrijke invloed op de kwaliteit van de uitgangssituatie. Daarom worden hier enkele richtlijnen (naar Herwaarden (1988), Pruijssen (1989) en Schippers (1989)

De onderstaande richtlijnen zijn ook op kleinschalig niveau in tuinen toepasbaar. Met een schop en een kruiwagen kan veel worden bereikt.

Bij natuurtechnisch grondwerk is alles erop gericht om te sterke mineralisatie en te sterke verdichting van de grond te voorkomen, om voldoende microreliëf te verkrijgen en eventueel de relatie met de grondwaterstand te herstellen. Het resultaat dient te zijn: een glad, maar niet geëgaliseerd oppervlak.

- De gladde bodem wordt zo veel mogellijk achteruitwerkend van nat naar droog aangelegd. Er mag dus niet heen en weer worden gereden of worden gemanoeuvreerd. Het werk moet dus grof worden uitgevoerd, terwijl harken e.d. achterwege wordt gelaten.
- Losse grond moet in principe worden afgevoerd en kan op andere plaatsen worden benut, bijvoorbeeld voor beplantingen.
- Er moet worden gewerkt met een hydraulische graafmachine met rupsbanden en een gladde bak zonder tanden. Kleine hoogteverschillen tot 10 (25) cm worden niet geëgaliseerd. Dat hangt ook van de grootte en de functie van het terrein af.
- Op plaatsen waar in de toekomst moet worden gemaaid, mogen deze hoogteverschillen niet al te abrupt zijn.
- Er moet zoveel mogelijk achteruitrijdend worden gewerkt, dit geeft de beste uitgangssituatie. Diepe rijsporen, indien deze niet kunnen worden voorkomen, moeten worden dichtgeschoven en (stevig) worden aangedrukt om de lucht uit de poriën te persen. Het laatste is om een snelle mineralisatie van humus tegen te gaan.
- Hoe minder rijsporen hoe beter, dit vraagt een goede werkvoorbereiding en het juiste inzicht van de machinist of bestuurder. De werkzaamheden moeten volgens een uitgekiende rijroute worden uitgevoerd. Op natte, drassige gronden kunnen rijplaten insporing voorkomen. Op kleine schaal kan dit alles ook met handkracht worden uitgevoerd. Op plaatsen waar het grondwater van belang is moet met een grondboor de diepte van het grondwater worden bepaald.
- Als aanvoer van grond noodzakelijk is (o.m. bij aanleg van wegbermen, openbaargroen ect. moeten de eigenschappen van de aangevoerde grond zoveel mogelijk overeenstemmen met de grond die er al is. Als dat mogelijk is kan het beste gebruik worden gemaakt van grond uit de omgeving. Vaak is de keuze beperkt omdat men afhankelijk is van ontgravingen elders in het landschap. Er komen dan twee bodemtypen over elkaar te liggen.
Vooral bij de Nederlands Spoorwegen was in de periode 1960-2000 het effect van herkomst van de bodem overduidelijk zichtbaar. Omdat de afdeklaag (ca. 30 cm) meestal uit de directe omgeving kwam, ontwikkelde zich een vegetatie die overeenstemde met die uit de omgeving. Voor het dijklichaam werd in klei- en veengebieden duinzand of pleistoceen zand aangevoerd, met als gevolg vegetaties van zandgronden in klei en veengebieden. (Koster, 1987, 1991).
- Een losse bovenlaag kan worden gemengd met de oorspronkelijke onderlaag. Bij hellingen moet dat in ieder geval.
De 'Groene Grens, in Veenendaal in 2014