script language="Javascript1.2">
Inzaaien van wilde in tuin, dorp en stad
Het inzaaien, uitplanten en bewust of onbewust introduceren van planten is van alle tijden (Sykora, 1984). Om faunistische redenen bijvoorbeeld voor het bevorderen van het voorkomen van dagvlinders, drachtverbetering voor honingbijen, educatieve functies of uit esthetische overwegingen kunnen soorten worden ingezaaid en uitgeplant. Over dit aspect bestaan verschillende opvattingen en inzichten (Bakker, 1985; Berg et al., 1996; Groenendael, 1985; Hengeveld, 1998; Koningen, 2004; Kowarik, 1990; Londo, 1984-1993; Mars, 2002; Schippers, 1999; Walter, 1989; Weijden, 1996; Westhoff, 1994)  Om de natuurlijke samenstelling van de flora niet verder te verstoren is het raadzaam om introductie van planten tot de bebouwde omgeving te beperken en de introductie van invasieve (snel verspreidende) soorten te voorkomen of zelfs te verbieden. (zie hier voor bij www.bijenplanten.nl). Voor de introductie van plantensoorten kunnen de volgende richtlijnen in acht worden genomen, waarbij de eerste twee het beste zijn. 1-3,7 zijn in perioden van voor 1980 ontwikkeld door heem- en natuurtuinbeheerders.
Richtlijnen voor zaad verzamelen en zaaien
1 Uitleggen van maaisel met rijpe zaden dat uit de omgeving afkomstig is
2 Zaaien met uit de omgeving gewonnen zaad. Per soort moet er in verband met de genetische variatie van verschillende planten worden geoogst.
  De bodem waar de zaden of het maaisel worden verzameld moet zoveel mogelijk overeenkomen met de bodem waar de zaden worden gezaaid of maaisel wordt uitgelegd. Voor combinaties zie beheertypen.
3 Zaaien van eigen gekweekt zaad van planten die behoren tot de populatie van de streek.
4 Zaad betrekken van biologische kwekers van inheemse kruiden en of van heem-/natuurtuinen.
5 Streekeigen materiaal gaat boven materiaal dat van buiten de streek is aangevoerd
6 Zaad van zeldzame en niet wettelijk beschermde soorten in zeer beperkte mate alleen oogsten buiten de natuurreservaten, bij voorkeur in overleg met een deskundige.
7 Van minder algemene tot zeldzame soorten, waarvan minder dan 30 planten aanwezig zijn, wordt niet of in zeer beperkte mate geoogst.Altijd in overleg met een beheerder of deskundige.
8 Zeer zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde planten worden in principe met rust gelaten.
9 Volg bij inzaaien de agenda van de natuur. Zaai in na de zaadrijping. Per soort is dat niet praktisch. Maar in de natuur is de speling om te zaaien ruim. De nazomer en het najaar (eind augustus-september) sluiten het beste aan bij het natuurlijke proces. Een tweede keus is het vroege voorjaar: half maart-april, maar dan is de concurrentie met andere planten groter en tot in mei kunnen er nog verraderlijke nachtvorsten optreden.
10 1 gr zaad per m ² is meestal voldoende
11 Het inwerken van zaad hangt van de omstandigheden af.In principe kan het natuurlijke proces worden gevolgd. Inwerken is dan niet nodig. Vooral in de overgang van de zomer naar het najaar is zowel de bodem als de lucht vochtig genoeg. Bij een hete zomer als 2018 is zeer oppervlakkig inwerken aan te bevelen. Veel zaden ontkiemen pas na een nachtvorst, dus niet te diep tot ca. 1 cm inwerken.
Voor het ontkiemen van zaden is het voorjaar een geschikt moment. Maar we moeten dan rekening houden met concurrentie van andere niet ingezaaide planten. De temperatuur is dan ook vaak zeer verradelijk een zachte winter en/of zacht vroeg voorjaar kunnen gevolgd worden door stevige nachtvorsten. Planten die in het najaar zijn ontkiemd en nog tot een plant(je) konden uitgroeien zijn veel vorstbestendiger.
12 Vooral licht zaad is niet of nauwelijks met de hand gelijkmatig uit te zaaien. Door het met zand te mengen gaat dat aanzienlijk beter en zie je ook waar je gebleven bent.
Kleine oppervlakten kunnen door tuinbezitter, buurtbewoners en landschapsbeheerders zelf worden ingezaaid. Voor grootschalige projecten is het wellicht beter om een gespecialiseerd bedrijf in te huren. Deze bedrijven zijn dun gezaaid. Zie hiervoor links bij. www.denederlandsebijen.nl

Inzaaien in bestaande grazige begroeiingen
Voor het inzaaien van grote projecten is natuurtechnischnisch bodembewerking van toepassing.
In open grasland kan worden ingezaaid, maar dat is alleen het geval op schrale en veelal droge bodems. Door verzuring, kunnen grassen zeer dominant worden of zelfs volledig overheersend. Grasland kan ook vervilten, zodat contact van zaden met de grond niet meer mogelijk is. Door met een vingerbalkmaaimachine zo laag te maaien dat de bodem kaal wordt, krijgen tweelobbige planten weer een kans om zich te ontwikkelen, maar de bodemeigenschappen verander je daar niet mee.
Chopperen - In natuurgebieden kunnen vergraste vegetaties worden gechopperd. De bovenste laag van de vegetatie ( inclusief de humuslaag tot 4 cm) wordt afgeschraapt (geklepeld en afgezogen), waardoor andere planten een kans krijgen om zich opnieuw te vestigen en/of te ontwikkelen. Deze methode is onder meer op Texel en Vlieland toegepast op plekken die waren vergrast en die werden gedomineerd door kraaihei. De bodemeigenschappen veranderen daardoor niet. Omdat er geen concurrentie is kunnen veel planten zich opnieuw vestigen. Het is wel de vraag of ze zich op langere termijn bij gelijke bodemeigenschappen kunnen handhaven. De natuurlijke weg van vegetatieherstel is begrazing, overstuiving en herstel van het grondwaterpijl. Op heel veel plekken is dat vrijwel onmogelijk.
Afplaggen heeft nog het meest gemeen met chopperen. Ook bij afplaggen van grasland en gazons wordt de begroeiing met de bovenste laag grond verwijderd. De weg wordt dan vrijgemaakt voor nieuwe ontwikkeling van natuurlijke vegetaties en de kale bodem is ook de basis voor een goed zaaibed.

Onkruidvermindering door gefaseerde grondbewerking en( mechanisch) schoffelen
Bij het inzaaien van bloemrijke begroeiingen geld hetzelfde als bij akkerranden. Als grondbewerking noodzakelijk is treedt er veel zuurstof in de bodem, waardoor allerlei processen op gang worden gebracht die de bodem vruchtbaar maken. Niet alleen humus wordt verteerd, maar ook andere chemische en biologische processen die voor snelle plantengroei noodzakelijk zijn komen op gang. De bodem wordt vruchtbaarder. Een nadeel van grondbewerking is echter dat ook allerlei zaden van ongewenste en minder gewenste planten aan het oppervlak komen en mede onder invloed van licht gaan kiemen. In de volksmond noemen we dit onkruiden; in het geval van akkers akkeronkruiden.  De bouwvoor is met deze onkruidzaden meestal tamelijk verzadigd. Bij iedere grondbewerking komen er nieuwe zaden boven.
Als inzaaien van gewenste soorten kort na de grondbewerking plaatsvindt, is de kans zeer groot dat onkruiden sneller groeien dan de ingezaaide soorten. Door de grond gefaseerd (in etappes) te bewerken, kan de groei van onkruid worden verminderd.
In de eerst fase wordt de grond ca. 2 tot 4 weken voor het zaaien zaaiklaar gemaakt, maar dan zonder inzaaien. De tweede fase van de grondbewerking, de aanleg van het definitieve zaadbed vindt plaats na de kieming van de onkruiden. Op de volkstuin gebeurt dit door oppervlakkig te  schoffelen, in de landbouw gebeurt dat machinaal (door een zogenaamde rotorkopeg of een volveldschoffelbak).  
 
B3-mengsels
Voor nieuw aan te leggen grasvelden en bermen wordt een B3-mengel vaak aanbevolen. In dit mengsel bevinden zich zodenvormende grassen als rood zwenkgras en gewoon struisgras en het pol vormende fijn schapengras. Deze grassen kunnen droogte goed doorstaan en ontwikkelen zich relatief snel tot een dichte grazige begroeiing. Het wordt onder meer gebruikt op zandige bodems om erosie te voorkomen.
Doordat rood zwenkgras en gewoon struisgras sterke zodevormers zijn, is dit grasmengsel in principe niet ideaal voor de ontwikkeling van een bloemrijk grasland. Vooral wanneer het te dicht wordt ingezaaid, kan het zich te snel sluiten, waardoor de ontwikkeling van andere kruidachtige planten wordt bemoeilijkt. Om andere kruidachtige planten een kans te geven mag men niet meer dan 15-20 kg graszaad per hectare gebruiken. Een regel die bij de vroegere Adviesgroep Vegetatiebeheer werd aanbevolen: "Zaai zo weinig als je durft". Grassen komen er meestal vanzelf. Vooral in de eerste jaren biedt 15 kg graszaad nog voldoende ruimte aan tweezaadlobbige planten.
Als het alleen maar de bedoeling is erosie te voorkomen, zou men op niet te voedselarme bodems Italiaans raaigras, op zandgronden rogge en op zilte grond gerst kunnen gebruiken. Deze planten verdwijnen vanzelf en geven andere planten de kans om zich te vestigen. Op veel plaatsen is inzaaien echter geen noodzaak. In vrijwel alle gevallen zorgt de natuur voor een plantendek, waarin men door beheermaatregelen de ontwikkeling van de vegetatie kan sturen.
In stedelijk gebied kan men één- of tweejarige aantrekkelijke soorten mee inzaaien. Deze soorten zullen na hooguit enkele jaren vanzelf verdwijnen. De planten mogen de kieming van het graslandmengsel door lichtconcurrentie niet belemmeren. Tweejarige planten kunnen rozetten maken van meer dan 1/2 m Ø. Dus zaai deze niet te dicht. Wat het grote publiek leuk vindt, is vaak slecht voor de ontwikkeling voor een bloemrijk grasland.