Omvorming door verschralen of natuurtechnische maatregelen
Door voortdurend organisch materiaal te oogsten zonder te bemesten en af te voeren wordt de bodem schraler. Planten groeien dan minder hard en voor sommige planten kan de bodem zelfs te schraal worden. Verschralen gaat meestal gepaard met een toename van de soortenrijkdom. Gewoonlijk verschraalt men door maaien en af te voeren. Een maximaal effect voor verschraling wordt bereikt door net voor de bloei van het gras te maaien. De meeste voedingsstoffen zitten dan in de bovengrondse delen van de plant. Indien de grond te voedselrijk is en er geen mogelijkheden zijn de bodem te ontgraven kan men door teelt van maïs en Italiaans raaigras de bodem versneld ver­schralen. Het agrarische productiesysteem wordt dan nog een paar jaar volgehouden, maar er wordt dan niet bemest of gebruik gemaakt van onkruidbestrijdingsmiddelen. Een lichte bemesting met stikstof en/of kali is daarbij wel toegestaan. Door een hogere plantaardige productie wordt er dan ook fosfaat uit de bodem opgenomen, waardoor de bodem aanzienlijk kan verschralen. Ook als de bodem niet veel schraler wordt, neemt de concurrentiekracht van het gras af. Bij beide methode kunnen resultaten 10-20 jaar op zich laten wachten. Voor veel groenbeheerders (lees bestuurders van steden, gemeenten en provincies) duur dat vaak te lang en zoeken hun toevlucht in natuurtechnische aanleg gevolgd door ecologisch beheer en daar is niets mis mee. Een kwalijk punt is dat er heel vaak gebruik wordt gemaakt van oplossingen die op termijn niet bijdragen aan biodiversiteit maar wel door het publiek worden gewaardeerd. voorbeelden zijn de vele bloemen mengsels die tegen beter weten in niet tot een duurzaam resultaat leiden.

Resultaten omvorming grasland --
Van frequent gemaaid grasland naar hooiland -- 1. Frequent gemaaid gras -- Tot 1990 werd, zoals in veel Nederlandse gemeenten deze grazige begroeiing frequent (tot 26 x per jaar) gemaaid. In 1990 werd er aan de randen van de gemeente Veenendaal geëxperimenteerd met 2 x per jaar maaien en afvoeren. In eerste instantie kwamen paardenbloemen massaal tot ontwikkeling. (Veenendaal 1990)
 
2. Hooilandbeheer -- Omdat het weilandkarakter volledig verdwijnt door hooilandbeheer, verdwijnen ook grotendeels de paardenbloemen. Dit resulteerde in een ruige, bloemloze, grazige vegetatie. (Veenendaal 1996)
 
3. Hooiproductie -- Het grasland is hoog productief, dus is de bodem waarschijnlijk zeer voedselrijk. (Veenendaal 1996)
 
4. Veldzuring is dominant
 
4. Resultaat -- Vanaf 1998 komt er een doorbraak. Zeer algemene plantensoorten bepalen het aspect van de vegetatie, maar de ontwikkeling naar bloemrijk hooiland is duidelijk zichtbaar. Hommels, solitaire bijen en vlinders zijn in redelijke aantallen aanwezig. (Veenendaal 1999)
 
Herstel na verstoring -- 1. Verstoord vijvertalud -- Door werkzaamheden is dit talud verstoord. Dominantie van grote brandnetel is het gevolg. (Veenendaal 1995)
 
2. Resultaat maaibeheer -- Door consequent maaibeheer en afvoeren van maaisel verdwijnt de grote brandnetel op zandgrond vrij snel. Dit wordt hier ook veroorzaakt door de zandige bodem. De vegetatie wordt tevens sterk beïnvloed door de natte ondergrond die waarschijnlijk door kwelwater wordt gevoed. Door de restanten van wortelstokken in de grond trad snel herstel op.
 
Omvorming grasland: Rondweg Veenendaal -- 1. Omvorming rondweg -- In 1996 wordt de toplaag van deze berm tot 20 cm afgegraven. Een nieuwe afdeklaag met schrale zandgrond wordt opgebracht. Een zaadmengsel van een- en tweejarige en overblijvende soorten wordt uitgezaaid.
 
2. Eenjarigen overheersen -- Het eerste jaar is klaproos met onder meer gele ganzenbloem aspectbepalend. (Veenendaal 1997)
 
3. Tweejarigen overheersen -- In het tweede jaar overheersen de tweejarige soorten en komen de overblijvende soorten tot ontwikkeling. (Veenendaal 1998)
 
4. Vergrassing treedt op -- Door onregelmatigheden in het beheer, gebrek aan monitoring, storing en verzuring loopt de bloemenrijkdom snel terug. Vermoedelijk was het resultaat beter geweest als er vanuit de bestaande situatie een maaibeheer was gevoerd. Biggenkruid en andere soorten hadden zich voor 1995 al gevestigd en ca. 40 soorten paddenstoelen kwamen er voor. (Veenendaal 2001).
Wat ging er mis?
1 Omvorming van deze berm was onnodig geweest. De bovenlaag was matig voedselrijk en varieerde van zeer droog tot winternat. Dus een basis voor een gevarieerde kruidachtige vegetatie. Door een zeer ondeskundig advies werd het gemeente bestuur op het verkeerde been gezet. Gewoon biggenkruid begon zich te ontwikkelen en in het najaar groeien er meer dan 40 soorten paddenstoelen.
2 De nieuwe zandlaag was 20 cm dik. Waarschijnlijk naar aanleiding van het rivierdijken onderzoek vanuit de vakgroep vegetatiekunde. Uit dit onderzoek bleek dat planten op taluds van rivierdijken tot ca. 20 cm. diep wortelen. Dit is waarschijnlijk klakkeloos geïnterpreteerd naar bermen.
3 Het hoveniersbedrijf die het project moest uitvoeren en de vegetatie- ontwikkeling moest begeleiden kon daar weinig veranderingen in aanbrengen. Daar kwam nog eens overheen, dat buiten de schuld van dit hoveniersbedrijf het beheer niet optimaal kon worden uitgevoerd.
4 De kennis bij veel adviesbedijven was vaak onvoldoende om goed advies te geven.
Inmiddels is de kennis van een aantal hoveniers en zaadteelt bedrijven enorm toegenomen. Deze zitten vaak niet te wachten op uitgebreid onderzoek. Maar hebben vaak genoeg als ze de details van de bodemeigenschappen weten. Als ze dat zelf niet kunnen bepalen, kan dit worden uitbesteed aan bodemspecialisten.
De naam van het hoveniersbedrijf die betrokken bij dit project kan niet worden genoemd, maar hoort op het gebied van inzaaien en beheer van deze projecten tot de toppers van Nederland.